De paradox van de omgekeerde viston

De Franse vissers en de Amerikaanse president handelen uit dezelfde gemoedsgesteldheid: wie in moeilijkheden verkeert, slaat om zich heen. De vissers gooien hun waar op straat uit protest tegen het feit dat de concurrentie tegen een lagere prijs levert. Clinton kondigt actie aan tegen Airbus dat zich meer en meer manifesteert als een concurrent van Boeing. Consumenten profiteren van concurrentie, vandaar dat er veel schone woorden aan dat verschijnsel zijn gewijd. Maar als de nationale produktie in verlegenheid raakt, worden die woorden weer snel vergeten. De produktie heeft zich doorgaans hechter georganiseerd dan de consumptie en dat blijft in de politiek niet zonder gevolgen.

Ook in Nederland roert het staartje van de industriele bescherming zich als de wind van buiten koud blaast. Hoe ook de oplossingen voor de problemen bij Fokker en DAF bedrijfseconomisch moeten worden beoordeeld, onloochenbaar zijn bij het zoeken ernaar emoties naar de oppervlakte gekomen die bij het faillissement van de groenteboer op de hoek geen rol spelen. De geslaagde tien miljoen-actie voor DAF heeft bijvoorbeeld veel minder te maken met het kapitalistische inzicht van de inschrijvers dan met het warme wij-gevoel dat herinnert aan Open het dorp en aan de RTL4- inzameling destijds voor Roemenie. Het maakt, kortom voor de werknemer op een bedreigde arbeidsplaats nogal wat uit of iemand boven zijn werkzaamheden al dan niet de driekleur hijst.

Opvallend is dat een eenvoudige regel in voorkomende gevallen niet wordt toegepast: laat het nationale gevoel opwellen bij de aankoop. Eisenhower probeerde tijdens zijn presidentschap de nationale economie op te krikken met de slogan 'buy American' en dat moet enig effect hebben gehad. Als de Fransen uitsluitend door Fransen gevangen vis zouden nuttigen, de Amerikanen ieder niet door Boeing gebouwd vliegtuig zouden mijden, de Nederlanders uitsluitend van Fokker- en DAF-produkten gebruik zouden willen maken, zouden de betrokken overheden alvast minder aan hun hoofd hebben. Dan zou er nog wel iets overblijven dat als internationale markt bekend staat, maar die zou volgens afspraken kunnen worden verdeeld.

Zo extreem als het klinkt, in iedere beschermende maatregel bevindt zich de kiem van afgedwongen marktverdeling. De Europese landbouwpolitiek en de Europese Airbus-politiek zijn evenzeer voorbeelden van pogingen marktaandeel te veroveren op een gemonopoliseerde markt als de best georchestreerde Japanse overval op een bepaalde bedrijfstak. Overleg, zoals in de GATT, beoogt de tegenpartij de nieuwe toestand te laten aanvaarden zodat die als het ware rechtmatig wordt. Vervolgens heet dat dan vrijhandel. Maar de gevestigde orde blijkt tegen nieuwkomers toch altijd weer bezwaren te hebben en die gevestigde orde is veelal amerikaans. De twisten in de GATT en binnen de EG over de landbouw en de oplaaiende ruzie over Airbus betreffen de mate waarin het door de EG veroverde aandeel al dan niet door de VS intact zal worden gelaten.

Vanzelfsprekend voltrekt de strijd zich in een groeiende markt langs andere lijnen dan in een stagnerende of krimpende economie. Het is hier niet anders dan bij de verdeling van de nationale koek. Groeit de koek dan kan iedereen meer krijgen, blijft de koek gelijk, dan gaat de verbetering van de een ten koste van de positie van de ander. Anders gezegd, in de verdediging van allen tegen allen vloeit meer bloed dan bij het offensief. De crises die zich in nogal wat landen voltrekken en die zo hun onderlinge raakvlakken hebben, verhevigen het gevecht om het behoud van marktaandeel. Traditionele politieke vriendschappen en bondgenootschappen dreigen er door te worden overspoeld.

Iedere praktijk vraagt om een theorie. Zoals in een periode van groei en expansie de leer van de toenemende integratie en onderlinge afhankelijkheid aan populariteit wint - iedere nieuwe dag vormt immers een bewijs van de juistheid ervan - zo wint in een tijd van tegenslagen en krimp de gedachte veld dat welvaart iets is dat binnen nauwe grenzen moet worden gedefinieerd en behouden. En ook nu weer levert iedere nieuwe dag de juistheid of in ieder geval de populariteit van die theorie. Het ene staatsbestel na het andere valt uiteen, de ene samenbindende ideologie na de andere verdwijnt in het niets, de verschillende staatsgenootschappen staan onder druk. Zoals iemand die er studie van had gemaakt het onlangs zachtzinnig formuleerde: de desintegrerende krachten houden momenteel de integrerende krachten min of meer in evenwicht.

De vraag is: zien we wat er te zien is? Is bijvoorbeeld het uiteenvallen van de Sovjet-Unie alleen maar een bewijs van de desintegratie van dat rijk of wordt er juist mee aangetoond dat een autarkisch imperium van die omvang en intensiteit niet langer levensvatbaar was? Wie naar de ontwikkelingen in China kijkt, neigt ertoe de aantasting van het communisme als maatschappelijk systeem vooral te verklaren uit de integrerende krachten die in de wereld actief zijn. Of een ideologische terugslag de statische balans van weleer kan herstellen, is voorlopig hoogst onzeker, hoeveel rode vlaggen er ook over het Rode Plein worden gedragen.

In het rijke deel van de wereld vormen de beschermende krachten een reactie op de integratie die ondanks alles nog steeds verder gaat. Zonder die integratie zou er aan protectie immers geen behoefte bestaan. Nu ook een mogendheid als de Verenigde Staten die tientallen jaren lang de voordelen van onderlinge afhankelijkheid heeft gepredikt, de als nadelig gevoelde gevolgen van de integratie ondergaat, komen beschermingsmaatregelen in de algemene belangstelling. Van de weeromstuit dreigen deze nieuwe vormen van protectionisme de verfrissende nieuwsgierigheid naar internationale integratie en samenwerking in de achtergebleven gebieden al weer in de kiem te smoren.

De voorstanders van ongeclausuleerde beschermende maatregelen nemen intussen een zware verantwoordelijkheid op zich, al was het alleen maar omdat de sterken op die manier de zwakken kansen ontnemen. als gevolg van het geweld dat dreigt te worden ontketend in de driehoek van de rijke wereld zouden de zwaarste slagen vallen in Oost-Europa en Afrika, gebieden waar historisch de kansarmen zijn geconcentreerd. Het voert wat ver om juist die mensen op te offeren aan de nieuwe leer van de desintegrerende krachten. Een viston omkeren, een tractor over de weg zetten, invoerbeperking afdwingen, het is kortzichtiger dan men vaak denkt.