De leraar vercoacht

Het moderne onderwijs stelt nieuwe eisen aan leraren. Ouderwets, "frontaal' lesgeven moet verdwijnen, vinden onderwijskundigen. Het Maastrichtse Eurocollege doet sinds anderhalf jaar een poging.

Wiskundeleraar Harrie Schillings behandelt deze ochtend breuken in de brugklas. De meeste kinderen hebben daar een hekel aan, weet hij, overgehouden aan de basisschool. Maar nu doen de meesten mee - en ze lijken het nog leuk te vinden ook. Druk wisselen ze schriften uit om elkaars huiswerk na te kijken. Schillings heeft extra sommen opgegeven die in het boek zijn aangegeven met een klein rood driehoekje om ze te onderscheiden van de basisstof. ""Een enkele keer laat ik die sommen door iedereen doen, dus ook de MAVO-leerlingen in de klas, om hen te tonen dat ze die best kunnen. Zoiets motiveert.'' Dat blijkt: nog nadat de bel is gegaan blijft de kindermeute het antwoord roepen. Helaas, allemaal fout.

Het Maastrichtse Eurocollege voor MAVO, HAVO, en VWO is sinds anderhalf jaar afgestapt van 'frontale' lessen: de lange uren waarbij de leraar voor het bord oreert en eigenlijk alleen maar stopt om iemand een vraag te stellen, terwijl de rest verveeld uit het raam staart. De school doet mee aan het ambitieuze project "Alle leerlingen bij de les' van het Amsterdamse Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS). Een programma dat zich uitdrukkelijk richt op de leraren: hun arsenaal aan didactische vaardigheden dient zodanig vergroot te worden dat de leerlingen de ruimte krijgen. Let wel, zonder dat de les ontaardt in chaos. De school hoopt zo de motivatie van de leerlingen te verbeteren en de uitval terug te dringen.

Heterogene brugklassen

Waterscheiding in het schoolbeleid was het besluit om heterogene brugklassen te vormen, waarin leerlingen van MAVO-, HAVO- en VWO-niveau bij elkaar zitten. In zulke klassen voldoet het ongedifferentieerde lesgeven niet meer, omdat het zich richt op het gemiddelde niveau en zodoende te veel leerlingen buiten spel zet, zowel extra goede als zwakke. Onderwijskundigen roepen dat al geruime tijd, maar in het onderwijs zelf is die eenvoudige wijsheid nog niet overal doorgedrongen. Dat is niet altijd onwil. Belangrijkste struikelblok is dat men eenvoudigweg niet weet hoe er met verschillen in de klas moet worden omgegaan.

"Alle leerlingen bij de les' gaat uit van een variëteit aan didactische werkvormen, waarbij de leraar eerder een begeleidende dan een docerende rol krijgt. Hij is hooguit twintig minuten zelf aan het woord, voor de rest dient de klas zelf te werken, in groepjes of individueel. Het niveauverschil binnen de klas kan worden gebruikt, bijvoorbeeld door de betere leerlingen over de groepjes te verdelen en de stof te laten uitleggen. Daar leren zij zelf ook weer van. De docent loopt rond, beoordeelt hoe er wordt gewerkt, helpt waar dat nodig is, geeft extra taken waar het kan, en behandelt sommige problemen klassikaal. Als een leerling opleest hoe hij een som heeft gemaakt, zegt Schillings niet of het goed of fout is, maar vraagt de rest van de klas of die het er mee eens is. Dat werkt, want een woud van vingers gaat de lucht in. Pas op het laatst klinkt het verlossende woord van de meester.

Het lesgeven-nieuwe-stijl vergt een mentale omschakeling van de meeste leraren. Schillings: ""Als er vroeger één zijn vinger opstak omdat hij een som niet snapte, maakte ik die vóór op het bord. Dat doe ik niet meer. Nu vraag ik: heb je wel goed naar de voorbeeldsommen gekeken? Je moet ze dwingen om zelf na te denken.'' Net als bij de meeste van zijn collega's is bij Schillings de aanvankelijke scepsis jegens de nieuwlichterij verdwenen. Niet dat hij zich altijd bij de nieuwe methoden neerlegt; toen hij merkte dat de vrijheid die hij de kinderen gunde door ze in groepjes te laten werken, ten koste ging van de "secuurheid', heeft hij dat weer snel teruggedraaid. De principes van het systeem aanvaardt hij, maar wat hij toepast en wanneer maakt hij zelf wel uit.

Morrend docentencorps

Dat is ook goed, zegt Sebo Ebbens, de begeleider namens het APS die soms achterin de klas zit en iedere docent ten minste een keer achteraf van kritisch commentaar voorziet. Niets is zo funest voor onderwijskundige vernieuwingen als een morrend docentencorps dat de innovaties door de strot gewrongen krijgt. Van de kleine dertig driejarige begeleidingsprojecten sinds 1989 is ongeveer de helft succesvol geweest. Ebbens, die een proefschrift voorbereidt over het project, wijt dat voor een belangrijk deel aan onbekendheid met de eisen die een dergelijke onderneming stelt. ""De scholen wisten niet goed wat hun te wachten stond, en wij hebben ze dat zeker in het begin ook niet goed weten uit te leggen.''

Maar er waren ook andere redenen om te stoppen, zoals plotselinge fusies die alle aandacht opeisen, waarbij blijkt dat de omschakeling is onderschat. Er is veel tijd nodig voor instructie- en discussiebijeenkomsten. Het lesmateriaal moet worden aangepast, vaak door de docenten zelf. Cruciaal is de houding van de schoolleiding. Het APS kan niets uitrichten als de leiding niet echt is geïnteresseerd. Dan nog voorspelt het studiecentrum dat het zo'n tien jaar duurt voordat een school geheel is doordesemd van de nieuwe aanpak.

De leiding van het Eurocollege heeft, vooral in de persoon van rector A. Barkhuijsen, hard aan het project getrokken. De voorgeschiedenis van het college speelt daarbij een rol. Tot voor kort heette de school Maria Immaculata en was het een nette katholieke MAVO met een stabiel bestand van ongeveer vijfhonderd leerlingen en slechts één probleem: het was de laatste categorale MAVO in de stad. Barkhuijsen trachtte te fuseren met een RK-scholengemeenschap maar kreeg het lid op de neus. ""Wij hebben de school toen aangeboden aan de gemeente die al plannen had om een openbare school te beginnen'', vertelt Barkhuijsen. Die accepteerde en Maria verdween van de pui. Maar daar bleef het niet bij: een nieuwe school zou ook vernieuwend onderwijs moeten geven, vond de gemeente. Koren op de molen van Barkhuijsen, die ook vroeger wel eens - vergeefs - gepoogd had zijn docenten ""het scholingstraject binnen te loodsen''.

Na een jaar voorbereiding, waarin aanvankelijk een voorganger van Ebbens het veld moest ruimen omdat die te weinig vertrouwen inboezemde, begon vorig schooljaar het APS-project in de brugklassen. Dit jaar is men gevorderd tot de tweede, de rest van de jaren is nog traditioneel van opzet. Maar tot "intervisie' binnen de vaksecties - intercollegiale visites binnen de school en gesprekken over elkaars lessen - komt het nog nauwelijks. Dat behoort tot de prioriteiten van volgend jaar, zegt Barkhuijsen. Pas daarna zal men zich gaan concentreren op een nieuw "huiswerkbeleid', waarmee nu al in de brochures wordt gewapperd. Op den duur moet de school "(t)huiswerkvrij' worden, is het ideaal van Barkhuijsen. Maar daar durft hij zijn docenten nog niet mee te belasten. Ze hebben het al zo moeilijk met de uitbreiding met twee nieuwe schooltypes, met de groei in twee jaar van vijf naar negen brugklassen, met het gependel naar de noodgebouwen zolang nieuwbouw uitblijft. En dan nog eens met een uiterst intensieve vorm van onderwijsvernieuwing. Barkhuijsen: ""Met wat ik nu van ze eis, zit ik al op het randje.''