De Haarlemse Hallen in een golfslag

Irene van Beek-Mulder en Mariëtte Polman: De Hallen in Haarlem. Een deeltje uit de Kleine Monumentenreeks van Waanders Uitgevers, Zwolle, ƒ 22,50. In de Verweyhal is tot 18 april de openingstentoonstelling te zien met schilderijen, aquarellen en tekeningen van Kees Verwey.

Voor bouwgeschiedenissen kunnen ze me wakker maken. Maar er zijn een paar voorwaarden. De beschreven gebouwen moeten oud zijn, minimaal zo'n honderd jaar, maar het liefste een paar honderd jaar en ze moeten nog bestaan zodat ik met eigen ogen kan inspecteren waartoe de geschiedenis heeft geleid. De drie museumhallen in Haarlem op de Grote Markt, in de schaduw van de Grote of St. Bavokerk, voldoen geheel aan deze vereisten en de bundel met hun verzamelde bouwgeschiedenissen, heeft me dan ook niet onplezierig uit de slaap gehouden. De Vleeshal, de Vishal en het gebouw van de veertien dagen geleden geopende Verweyhal begonnen hun avontuurlijk bestaan in respectievelijk de zeventiende-, achttiende- en negentiende eeuw.

Het is wonderlijk te zien hoe zuiver de drie monumenten de historische bouwstijlen van hun geboortejaren representeren. Ondanks de veelvuldige aanslagen die de geschiedenis op de Vishal heeft gepleegd, is de oorspronkelijke basis, het langgerekte sobere bakstenen gebouw met in het midden twee reeksen hardstenen, Toscaanse zuilen, in stand gebleven. In 1899 werd het middenpad overdekt. De prachtige Renaissancistische Vleeshal (1605) van de 'stadtsmetselaer oock steenhouder', Lieven de Key heeft met zijn ongebreideld geornamenteerde topgevels niet altijd uitsluitend bewondering geoogst. Er bestaan historische "recensies' waarin de overdaad aan versierselen wordt gehekeld en de Vleeshal wordt toegeschreven aan een bouwmeester die opgewonden was geraakt door teveel jenever. Dat is ook zo'n aardig aspect van bouwgeschiedenissen, het zijn tevens geschiedenissen van de smaak.

In dit boekje, dat duidelijk met liefde werd geschreven door Irene van Beek-Mulder en Mariëtte Polman, gaat de waardering voor de architectuur van de Haarlemse Hallen in een lange golfslag op en neer. Dat het voormalige herensociëteitsgebouw 'Trou moet Blycken' er in de publieke opinie altijd het meest beroerd vanaf is gekomen, ligt voor de hand. De "weinig geslaagde blokkendoos', opgebouwd uit baksteen, pleisterwerk en hardsteen met opvallende, horizontale witte gevelbanden, heeft als zoveel grotere neo-classicistische gebouwen uit het eind van de negentiende eeuw, tot ver in de tweede helft van de twintigste eeuw vooral afschuw gewekt. Toen kwam er een kentering in de "algemene verachting' van de neo-stijlen en werd er door architectuurhistorici zelfs voorzichtig op de schoonheid van sommige gebouwen uit die esthetisch gewraakte periode gewezen. De heiligverklaring van de laat negentiende-eeuwse bouwkunst kwam op gang. Het sociëteitsgebouw belandde uiteindelijk op de gemeentelijke monumentenlijst en werd bestemd voor de derde uitbreiding van het Frans Halsmuseum aan de Grote Markt, de Verweyhal, genoemd naar de bekendste en beruchtste, nog levende Haarlemse schilder, de 92-jarige Kees Verwey.

Wie de nieuwe aanwinst van het Frans Halsmuseum, mooi helder ingericht door de Haarlemse architect Wiek Röling, gaat bekijken, doet er goed aan eerst even de geschiedenis van het gebouw te lezen in het sympathieke boekje 'De Hallen in Haarlem'. Het bezoek wordt daardoor nog bekoorlijker.