"Dat ik de vogeltjes nu hoor, is ontroerend'

“Je legt een enorme claim op de mensen, mijn vrouw en kinderen hebben ermee leren leven maar ze zijn blij dat het nu steeds beter gaat.” Jan Willem Boehmer (49) draagt nauwelijks zichtbaar een gehoorapparaat. Hij praat gespannen: zijn gezicht staat strak, hij beweegt nauwelijks zijn mond en zijn stem kent weinig nuances. “Communicatie. Uitdrukkingsvermogen. Presentatie.” Daar was hij, en dat weet hij, nooit goed in en hij wijt dat aan zijn - te laat ontdekte - hardhorendheid. Als kind was hij "lastig'. “Een beetje monomaan: bepaalde dingen willen maar je niet goed kunnen uitdrukken. Je taalvermogen wordt niet ontwikkeld. Ik zonderde me af. Want of je nou doof bent of hardhorend: je moet kijken naar wat iemand zegt dus dan kan je niet nadenken over wat hij zegt. Je luistert altijd maar half en je hoort de woorden bovendien verkeerd. Je ziet ook minder dan je eigenlijk zou moeten zien want je wereld is beperkter.”

De relatie tussen "verstaan' en "verstand': “Er zijn doven, en ook hardhorenden, die een verschrikkelijk bestaan hebben omdat hun sociale intelligentie nooit aan bod is gekomen.” Of hij zelf daar bij hoort? “Ja en nee, want je overcompenseert door op school verschrikkelijk je best te doen. Ik was de knapste van de klas. Alleen: het klikte niet tussen mij en de anderen. Want de mensen denken dat je niet wilt luisteren.”

Toen hij tien was liet zijn vader, huisarts in Brielle, hem een gehoortest afnemen. “Normaal hoor je tot 10.000; ik kon tot 1.000 horen en daarna dipte het enorm naar beneden. Dat gebeurt veel: tien procent van de mensen in Nederland hebben dat, maar die krijgen het op oudere leeftijd.” Er werd gesproken over een gehoorapparaat, “maar er waren alleen apparaten die àlles versterkten, dus dat hielp niet.”

Op de lagere school mocht hij een klas overslaan. “Daar had achteraf iedereen spijt van, want daardoor werd mijn sociale achterstand nog groter.” Hij ging studeren in Delft. Op bijeenkomsten van de Rotary, waar zijn vader lid van was, had hij kennis gemaakt met de bouwers van de Haringvlietdam. “Dat vond ik prachtig en zij zeiden: "Laat die jongen toch civiel studeren, dan kan hij nog meewerken aan het staartje van de Deltawerken.' Ik kwam toen als zestienjarige in het studentencorps, dus ik heb altijd tegen ouderen moeten opboksen: dat kwam er ook nog bij.” Toch was hij jarenlang hoofdredacteur van een studentenblad en secretaris van een studievereniging.

Op drieëntwintigjarige leeftijd ging hij naar het M(assachusetts) I(nstitute) of T(echnology). “Idioot, want eigenlijk kon je dat niet aan. Maar ik was gebiologeerd door computers en de conclusie van mijn afstudeeronderwerp, de afsluiting van de Oosterschelde was: "We hebben hier de rekentechnieken niet waarmee we de Deltawerken kunnen klaarmaken maar die zijn misschien wel voorhanden bij het MIT, dus ga ik ze daar ophalen'.”

Hij sprak er een hele middag met Chomsky, de taalfilosoof. “Er waren mensen bij hem gekomen die hoorden alle geluiden, maar ze konden geen spraak verstaan. Die hoorden met een faseverschil en hij heeft toen een apparaatje gemaakt waardoor het geluid in het ene oor vertraagd werd ten opzichte van het andere oor en toen hoorden ze opeens. Bijzondere gevallen: daar hield hij zich mee bezig, maar mijn geval is zo algemeen. De transistors waren te groot, pas toen de chips kwamen, toen was het er.”

Zijn carrière begon goed, bij de Deltadienst. “Daar kreeg ik, juist doordat ik zo lastig was veel nieuwe ontwikkelingen op gang. Maar er waren ook periodes dat ik die energie niet kon opbrengen. Want de mensen weigeren je een excuus te geven. Terecht natuurlijk; iedereen die gehandicapt is doet er het beste aan gewoon voor wat hij kan mee te doen en door te gaan met het ontwikkelen van de capaciteiten die hij nog wel heeft. Toen ik in de meer creatieve periode van het Oosterscheldeproject zat, liep ik vast. Daar had ik een zeer bepalende rol in en als je dan niet het vermogen hebt om aan een grote groep mensen uit te leggen hoe ze het moeten doen, dan kunnen ze daar geen beslissing over nemen. En de drang om het toch voor elkaar te krijgen is dan zo groot: je komt in een dramsituatie terecht en je sloopt jezelf.” Hem werd aangeraden hulp te zoeken bij een therapeut. “Eigenlijk een soort organisatieadviseur en zo gebruik ik hem nog steeds. Gewoon iemand die mijn neuroses door heeft en die direct weet te ontzenuwen. Die me raad geeft hoe ik mijn leven wat draaglijker kan maken. Maar ja, dat had zijn tol. Mijn eerste huwelijk liep meteen stuk. Ik kreeg conflicten op mijn werk en dat liep toen ook stuk: alles liep mis. Alleen met mij ging het goed: ik werd ineens weerbaar! Want iemand die zijn volledige capaciteiten niet heeft krijgt toch een beetje een minderwaardigheidscomplex. Je zegt nooit "nee' en je vindt het heel moeilijk om het ergens niet mee eens te zijn.”

Hij bleef meewerken aan het Scheldeproject en bij de Deltadienst, volgde een parttime opleiding Business Administration, had een octrooienbureau, werd ingeschakeld bij het project Stormvloedkering Nieuwe Waterweg en bij het opzetten van een bedrijfsinformatiesysteem voor het CBS. Ook gaf hij les aan de Business School. “Ik merkte daar dat ik ze wel veel leerde, maar ik deed een te zwaar beroep op ze. En ik bleef zitten met het punt dat ik geen stukken kon schrijven. Mijn ideeën vond men goed, maar wat op papier kwam konden ze niet gebruiken; dat is heel traumatisch geweest. Gelukkig gaat het nu ook wat dat betreft sinds '86 beter.” Zo nu en dan was hij een winkel voor "Beter horen' binnengelopen om te informeren: “Hebben jullie iets? En ineens hadden ze iets. En dan wordt dus alles anders.” In dubbele zin, want anders dan hij verwacht had waren zijn problemen niet meteen opgelost. “Ik dacht: binnen een jaar heb ik mijn taalachterstand weggewerkt. Maar nog steeds duurt het wel eens wat lang voor mij om in de gaten te hebben wat er gaande is. En die geldingsdrang: die blijf je houden.”

Hij speelt hobo, op een omgebouwd instrument, want als "lastig' kind peuterde hij een stopcontact open en verbrandde zijn wijsvinger. “Ook weer zoiets: waarom moest uitgerekend k muziek gaan maken? Maar mijn leraar zei: "Iedereen zou met negen vingers hobo moeten spelen, dat is veel handiger zo.' Met mijn gehoorapparaat in kan ik niet spelen, dat is te hard. En in een orkest wil ik nog wel eens vals spelen omdat ik de verhoudingen niet meer hoor.” Dat hij nu wel naar vioolconcerten kan luisteren vindt hij ontroerend. “En dat ik de vogeltjes hoor. Maar het leven gaat gewoon door en nu kan ik toch merken dat ik meer zinnige dingen ga zeggen. En ik ben me beter bewust van mijn fouten als ik de mensen moet aanspreken in schrijftaal. Dat ik ze opzadel met een waterval van gedachten en dat ik nog steeds te veel dezelfde woorden gebruik in een zin. Dus: "het weer is slecht' en "de conditie van dinges is ook slecht'. En als je variatie in taalgebruik slecht is valt de aandacht weg als iemand iets van je leest. Maar het zomaar inhaken op een gesprek lukt me steeds beter en als dat wat ik dan zeg niet in de orde van het gesprek valt en een ander het automatisch overneemt, dan vind ik dat niet meer zo verschrikkelijk als vroeger. Want toen voelde ik me afgewezen: dankzij mijn adviseur heb ik nu het idee dat zulk afwijzen geen afwijzen is. Dat is heel iets anders; als je dood gaat ga je dood maar dan word je ook niet afgewezen!”

Inmiddels is hij toch weer terug naar zijn oude vak. “Ik was altjd gebiologeerd door de kracht van de "eenzame onderzoeker' en door serendipiteit. Vorig jaar ben ik naar een congres daarover gegaan. Er werd heel lovend gedaan over serendipiteit in de geneeskunde maar ik zei: "Bij de Oosterschelde waren we afhankelijk van dit soort ongezochte vondsten en daar hebben we er talloze gedaan. Maar dat heeft heel vaak kostenvermeerdering gegeven omdat we niet konden uitleggen hoe of wat. Dus daar hoef je helemaal niet zo blij mee te zijn'.”

Hij raakte betrokken bij het Rijnlijn project. “Ook zo'n serendipiteit. Twee hete hangijzers in de politiek: de Betuwelijn en de dijkverhogingen. De dijkverhogingen halen we van boven de grond naar onder de grond door de rivierbodem omlaag te halen. En als je dan toch baggert kun je er een tunnel inleggen en daarmee haal je ook de Betuwelijn onder de grond. Een heel simpel idee en als je die twee projecten combineert blijf je ruim binnen het budget! Dat zijn we dus aan het promoten.”

Op een CDA-bijeenkomst in Tiel is hij naar minister Maij-Weggen toegestapt. “Ik was altijd zo breedsprakig maar het gesprek dat ik met haar heb gevoerd heb ik op een bandje staan en dat is heel zakelijk. Zij is ook een heel zakelijke tante en zij werd emotioneel. Maar ik bleef heel kort en ik onderbrak haar als ze afdwaalde. En aan het eind van de discussie zei ze: "Nou, als jullie in staat zijn om die Betuwelijn voor minder dan vijf miljard onder de grond te maken dan zou ik wel niet goed snik zijn als ik me die ellende van dat boven de grond te leggen op de hals zou halen.' Punt!” Nu lacht hij.