Busverbindingen kunnen schoner en goedkoper

DEN HAAG, 25 FEBR. Een groot aantal busdiensten kan goedkoper en schoner worden uitgevoerd als in stille uren kleinere bussen of taxi's worden ingezet. Daarmee kan ook worden voorkomen dat steeds meer busdiensten verdwijnen.

Tot deze conclusie komt een onderzoeksgroep van Koninklijk Nederlands Vervoer, het instituut voor economisch onderzoek NEA en het Centrum voor Energiebesparing en Schone Technologie. Het onderzoek is mede betaald door het ministerie van verkeer en waterstaat, dat het gebruik van "schoner, stiller en zuiniger' openbaar vervoer wil stimuleren.

Het onderzoek richtte zich op zes buslijnen en de mogelijke inzet daarop van taxi's, bussen met plaats voor 8, 24 en 48 passagiers, standaardbussen (85 reizigers) en gelede bussen. Bekeken werd welk vervoermiddel op welk tijdstip het goedkoopst en het schoonst was, en welke combinatie van bussen en taxi's tot de efficiëntste bedrijfsvoering zou leiden. Belangrijk hierbij was dat een busmaatschappij zijn wagenpark niet zou hoeven uit te breiden.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat in de stille uren bij zestig procent van de stadsdiensten in de kleine steden en 30 procent in de grotere steden (met een eigen vervoersbedrijf) beter kleinere bussen of taxi's kunnen worden ingezet. Datzelfde geldt voor waarschijnlijk 45 procent van de streekdiensten. Als dat zou gebeuren, zouden de kosten van de busmaatschappij worden gedrukt en zou de luchtvervuiling door emissies afnemen. De busmaatschappijen zouden de bussen kunnen inzetten die ze nu nog reserveren voor groepsvervoer, bussen huren bij een collega-busmaatschappij of een touringcarbedrijf, of taxis bij een taxibedrijf. Wel moest het steeds gaan om een combinatie van twee verschillende vervoermiddelen per lijn: meer soorten zou een efficiënte bedrijfsvoering onmogelijk maken en de kosten opdrijven.

Volgens S. Huiberts, projectleider van het onderzoek, is “de tijd rijp voor een andere kijk op busvervoer”. “Vroeger hadden busmaatschappijen natuurlijk ook kleinere bussen in kunnen zetten, maar toen was het niet nodig.” Toen in de jaren twintig de eerste busmaatschappijen hun lijnen openden, zetten deze zelfstandige ondernemers hierop verschillende soorten bussen in, al naar gelang de drukte op de lijn. In de jaren zestig verdween deze differentiatie. De busmaatschappijen kregen wegens hun maatschappelijke functie subsidies die waren gebaseerd op het exploitatietekort. Hierdoor, en doordat er spitsen ontstonden, werd de grote bus de standaard.

Pas nu ze worden gekort op hun subsidie is het voor busmaatschappijen weer een probleem dat bussen in stille uren maar een paar passagiers oppikken. Een aantal diensten is al opgedoekt, op sommige lijnen zijn buurt- en belbussen verschenen. Doordat op 1 januari bovendien een systeem van subsidiëren is ingevoerd waarbij niet meer het exploitatietekort, maar het aantal reizigerskilometers de omvang van de subsidie bepaalt, is de noodzaak om efficiënt te werken nog groter geworden.

Inmiddels hebben veel busmaatschappijen taxibedrijven opgekocht. De overnamen zijn bedoeld om het bedrijfsrendement te verbeteren maar zouden ook, aldus Huiberts, “bijzonder goed van pas kunnen komen bij het leveren van maatwerk in de stille uren”. Hij verwacht dat de busmaatschappijen zich het onderzoek zullen aantrekken: “We zeggen niet dat ze extra bussen moeten aanschaffen, maar raden ze aan afspraken met hun collega's te maken en hun wagenpark beter te benutten. Eigenlijk is het gewoon een kwestie van even nadenken.”

De onderzoekers zijn van plan een computerprogramma te ontwerpen met behulp waarvan busmaatschappijen de voor hen gunstigste combinatie van bussen en taxi's kunnen berekenen. Naar verwachting zal het ministerie van verkeer en waterstaat de ontwikkeling van dit programma bekostigen. “De inzet van kleinere bussen en taxi's is een milieumaatregel waar nu eens geen prijskaartje aanhangt.”