Zoveelste klacht over verloren idealen

Voorstelling: Lost in Hotel Paradise door Mug met de Gouden Tand. Regie: Hendrien Adams. Spel: Joan Nederlof en Marcel Musters. Toneelbeeld: Hans Klasema. Gezien: 20/2 Toneelschuur, Haarlem. Tournee t/m 27/3 (25/2 en 26/2 in De Lantaren, Rotterdam, en 17/3 t/m 27/3 in De Brakke Grond, Amsterdam).

“Dat wil ik dus niet, dat jullie zo nors naar mij zitten te staren.” Actrice Joan Nederlof kijkt het publiek op de tribune getergd aan. Ze ziet er breekbaar uit, bleek en ongeschminkt, met blonde manen die tot aan haar dunne taille reiken. “Ik bedoel ook u, mevrouw!” bijt zij een geschrokken dame toe. Anderhalf uur lang poseert de dertigjarige Nederlof als een prikkelbare kunstenares, die er als het ware toe gedwongen wordt haar talent aan stompzinnig amusement te verspillen. In die rol van tegenstribbelende entertainer trekt zij van leer tegen de vermaaksindustrie, die zelfs munt slaat uit zoiets walgelijks als de oorlog in het voormalige Joegoslavië.

De hoofdmoot van Lost in Hotel Paradise bestaat uit een conference waarin Nederlof uitlegt hoe je van Homeros' Ilias, het epos over de ondergang van Troje, een spetterende musical kunt maken. Volgens de actrice is dat heel eenvoudig: je huurt wat mooie jongens van een fitnessclub voor de soldatenrollen en je laat Ben Cramer, in de rol van de Griekse opperbevelhebber Agamemnon, voortdurend "Hij was maar een clown' zingen. De klapper is André Hazes, die als de toornige held Achilles onder het zingen van "Een beetje verliefd' de Trojaanse koningsdochter Polyxena zal overweldigen. Dat de Griekse belegeraars in deze parabel voor de Servische agressors staan en de onteerde dochters van Troje voor de verkrachte moslimvrouwen in Bosnië, kan een kind begrijpen.

Nederlof ontwikkelt zich steeds meer tot een rasechte cabaretière, compleet met de bijbehorende verontwaardiging. Het valt mij alleen tegen dat deze actrice, die altijd zo hoog van de toren blaast over de noodzaak tot persoonlijke stellingname, haar statements voor een groot deel uit pretentieuze literaire teksten haalt inplaats van ze zelf te formuleren. En nog iets: waar blijft de inbreng van Marcel Musters? In deze voorstelling fungeert hij slechts als aangever. Pas wanneer Joan uitgeteld op de grond ligt doet hij schuchter een stapje naar voren om dan, klungelig naar de tekst zoekend, een lied van Elvis Presley te verknallen. Het lijkt wel of Nederlof, die zich hevig door Christa Wolfs roman Kassandra liet inspireren, haar partner zo lang mogelijk op non-actief zet, als straf voor het simpele feit dat hij een man is. Christa Wolf zegt immers dat het altijd de mannen zijn die oorlogen beginnen, die moorden en verkrachten en de waarschuwingen van vrouwen als Kassandra in de wind slaan.

Nederlof, die naast diverse andere rollen ook die van Kassandra speelt, neemt geen enkele rol echt serieus. Het meest hilarisch is wel de scène waarin zij, slechts gekleed in hemd en onderbroek, in een plastic teil zit te knoeien met water, stro en klei. “Ik zit hier dus in een grot te boetseren”, licht zij welwillend toe, daarbij doelend op de vrouwen die bij Wolf idyllisch samenleven in een commune op het platteland. Bemodderd stapt ze de teil weer uit. Ze moet nu de onbespoten groenten water geven, zegt ze. Zo maakt zij ook het enige utopische moment uit Wolfs roman belachelijk. Is het dan toch waar dat de jongere generatie theatermakers geen utopie meer heeft?

Lost in Hotel Paradise is niet meer dan de zoveelste klaagzang over het verlies van idealen. Het enige dat dit verlies enigszins compenseert is Joan Nederlofs tomeloze energie, die haar door de piste jaagt als was ze een schichtig en o zo ijdel circuspaard.