Twijfels en grappen in De pijnbank

Voorstelling: De pijnbank, door Justus van Oel en Maarten Wansink. Regie: Theo van Gogh. Gezien: 23/2 in Cultureel Centrum, Amstelveen.

“Goedemorgen,” zegt de klant. “Hoe kom je dáár nou bij?” riposteert de bank-employé. Hij heeft zijn dag niet: de bank is zojuist gefuseerd met een andere bank, een ander heeft nu zijn baan. Ze hebben hem al zijn parafernalia afgepakt en hij is verbannen naar een spelonk-achtige ruimte onder het gebouw. En dan is hem ook nog een klant op zijn dak gestuurd met een macaber investeringsvoorstel. De man wenst een lening af te sluiten voor een vriend die zich voor geld - bij wijze van media event - wil laten martelen.

Justus van Oel was de spil van de cabaretgroep Zak & As en Maarten Wansink is acteur. Gezamenlijk hebben ze nu een satirisch toneelstuk gemaakt, gesitueerd in een grauw, perspectivisch scheefgetrokken rommelhok, waarin moralistische twijfel wordt gezaaid. De vraag luidt bijvoorbeeld of martelen altijd verboden is, of in de religieuze kunst geen veel te schoongepoetst beeld is geschapen van de kruisiging en wat nu eigenlijk de functie van een bank is. “Geef ons heden uw dagelijks brood,” vat de bankman zijn werkzaamheden samen. Gaandeweg verstomt het gesputter dat hij aanvankelijk fatsoenshalve heeft laten horen. Hij begint de propositie interessant te vinden, terwijl de klant het proces dat hij op gang heeft gebracht, met een gemene grijns aanschouwt.

In sardonische dialogen, waarin de geëngageerde woede van de makers soms ijselijk cynisch is verwoord, wordt de extreme uitgangsstelling verder uitgewerkt. Het is toch een zakelijk voorstel? En dit is toch een samenleving die niet terugschrikt voor sadisme? Het is een spannend spel van ideeën en redeneringen dat Van Oel en Wansink spelen - en het wordt, denk ik, nog spannender als er na een aantal voorstellingen een strakker afgemeten ritme in hun vertolkingen komt. Nu treffen nog niet alle grimmige grappen hun doel.

De pijnbank zet hoog in en komt snel terzake, met het tempo van een cabaret-sketch en de absurditeit van een Mrozek-situatie. Tot de vraag over de toelaatbaarheid van marteling voor geld zich tenslotte onafwendbaar opdringt en de antagonisten - bijna lotgenoten geworden - nauwelijks meer een andere keus lijken te hebben dan de uiterste consequentie. Maar omdat ze dat kennelijk niet aandurfden, is de afronding gevonden in een afleidingsmanoeuvre. En zo loopt de zaak, die eigenlijk had moeten ontploffen, met een veel te vage sisser af.