Overledene met heimwee op zoek naar zichzelf

Kamen (Steen). Regie: Aleksandr Sokoerov. Met: Leonid Mosgovoj, Pjotr Alexandrov. Amsterdam, Desmet; Arnhem, Filmhuis Arnhem.

Het is donker. Een jonge nachtwaker betrapt een heer die, gekleed in een lang katoenen hemd, geniet van een gevuld bad in een verlaten, tot museum omgebouwd woonhuis. “Lekker. .. Water...” murmelt hij.

Het ligt voor de hand die eerste woorden van Kamen (Steen), de nieuwe speelfilm van Aleksandr Sokoerov, klakkeloos te beschouwen als verwijzing naar zijn geestelijke vader Andrei Tarkovski en diens met stroompjes, beekjes, regen, plassen en reinigende dauw doordrenkte films. Maar het mag niet. Sokoerov is zijn voorbeeld ontgroeid: Kamen wordt bepaald door een intimiteit en tederheid die Tarkovski nooit heeft gezocht. Wie Kamen wil bekijken moet "Lekker... Water...' nemen voor wat het is. Pas dan is het mogelijk voorzichtig naar binnen te kruipen langs de zilveren draadjes waarmee Sokoerov deze broze film weefde.

Nadat hij heeft genoten van het water op zijn huid, waart de heer rond door het donkere huis. Hij zakt op zijn hurken voor een piano, speelt de eerste maten van een half vergeten sonate en legt dan zijn oor op de toetsen. “Wat doet u?” vroeg de nachtwaker. “Ik woon hier” heeft de heer geantwoord. Dat is de waarheid en een leugen. Want het huis is een museum en de eigenaar dood. Maar filmmakers kunnen de doden tot leven wekken en dus stelden Sokoerov en zijn scenarist Joeri Arabov zich voor dat hij heimwee kreeg en terugkeerde.

Het is mogelijk dat de jonge man bewaker is van het Tsjechov-museum en dat hij in de heer Anton Tsjechov herkent. De gelijkenis is daar en sommige shots doen denken aan foto's van Tsjechov. Maar feit is dat de heer niet als schrijver wordt geïdentificeerd, noch als Tsjechov. Het verschijnen van een kraanvogel is nog de meest concrete aanwijzing - Tsjechov had zo'n dier in huis. Maar ook wie dat niet bij toeval ergens las, zal de vogel accepteren. Hij trippelt over het parket en zet soms driftig zijn snavel in een deken of een pyama. Wat de vogel te betekenen heeft, is niet te benoemen, maar Sokoerov weet hem zo te plaatsen dat hij er onmiskenbaar bijhoort.

De jonge man verkeert bijna steeds in het gezelschap van de heer, die hem vol zorg gadeslaat. Net of hij zich daarvoor geneert, zoekt de jonge man, geholpen door Sokoerovs wonderbaarlijke zwartwit-beelden, vaak beschutting in een diepe schaduw, terwijl de heer al het licht vangt. De spreiding van helder en donker is weergaloos in Kamen. Sokoerov geeft veel shots het aanzien van houtskooltekeningen: impressionistisch, met diepzwart naast vlekkerig grijs en excentrisch oplaaiende lichtpunten. Hij vervolmaakt dat effect met een lichte vervorming aan de randen van de kaders en een gevoelvolle "onscherpte' die in de filmkunst tot nu toe onbekend was en die zich nog het best laat omschrijven als vegerige scherpte. Rust in deze uitgekiende wildernis van licht en donker, biedt Sokoerov ons met een aantal portretten, waarvoor hij zijn twee personages ving in een stijl die hij ontleende aan de daguerreotypie: het antieke fotografische procédé dat de gefotografeerde op een zilveren plaat vastlegde en hem in een satijnen gloed zette.

De heer kwam in zijn oude huis speuren naar zichzelf, maar alleen de oude sensaties zijn bereikbaar: stromend water, schone kleren, zelfs de kou die in de vochtige gang langs zijn enkels optrekt, zoekt hij op. Hij kijkt naar zijn blote voeten. “Wat een witte pootjes” roept hij, verlangend naar de gloed van een haardvuur.

“Een mens past niet in een graf, hoe groot het ook is” legt hij zijn stuurse jonge gezel uit en dan blijkt dat Kamen een complement is van De tweede cirkel, Sokoerovs vorige film. Daarin poogde een jonge man wanhopig contact te maken met zijn overleden vader. In Kamen wordt een, op een zelfde manier stil radeloze, jonge man benaderd door een overledene die bereid is te spreken. Op vragen over hoe het "daar' is, heeft hij echter niet meer dan wat losse woorden te bieden.

Tenslotte lopen ze door een besneeuwd landschap. Eerst apart, dan als twee steeds smallere streepjes in hun lange jassen. Een eindje van elkaar weg, maar zo samen in één beeld, dat voor mogelijk moet worden gehouden dat de jongen de heer overal naar toe zal volgen, ook naar "daar'.