Maij: PTT-geld niet "verjubelen'; Verleiding groot om met PTT-verkoop bezuinigingspijn te verlichten

DEN HAAG, 24 FEBR. De beursgang van de PTT werpt zijn schaduw vooruit, ook over de begrotingsbesprekingen in het kabinet. Het is te merken aan het gedrag van de minister van verkeer (inclusief post en telecommunicatie) en waterstaat, Maij-Weggen (CDA).

De verkoop van een deel van de overheidsaandelen in het voormalige staatsbedrijf is in principe voor volgend jaar voorzien en levert miljarden guldens op. Of het nu om twee of vijf miljard gaat - de hoogte hangt af van het aantal te verkopen aandelen en de waarde ervan op dat moment - een interessant bedrag is het hoe dan ook voor een kabinet dat voor de vraag staat of het in 1994 zes, zeven of acht miljard moet bezuinigen.

Maij-Weggen zette gisteren de hakken in het zand, met de even korte als duidelijke mededeling dat zij er niets voor voelt de PTT-opbrengst te gebruiken voor het wegwerken van het overheidstekort in 1994. Minister Kok (PvdA) van financiën, toch al geplaagd, maar dan door griep, reageerde laconiek: hij wenst in dit stadium niets meer weg te geven. Dus ook niet de mogelijkheid dat een deel van de opbrengst van de PTT-verkoop toch wordt gebruikt om de bezuinigingspijn te verlichten.

Maij-Weggen zong het vaste CDA-refrein bij dit soort discussies: de overheid moet bezuinigen op consumptieve en niet op produktieve investeringen. Dus wel op subsidies - neem de exploitatie van het openbaar vervoer - maar niet op infrastructuur, zoals railverbindingen. Onverkort kan zo'n stelling in de CDA-fractie op applaus rekenen, al wenst ook zij af te wachten hoe het bezuinigingspakket van Kok eruit ziet.

Wie eenmalige opbrengsten, zoals van de verkoop van PTT-aandelen, gebruikt om te bezuinigen, "verjubelt' het geld, luidt de stelling in CDA-kringen. Het is een incidentele oplossing voor een probleem dat een jaar later weer net zo hard terugkeert. Intussen is het geld dan niet gebruikt voor investeringen die de economie dienen. Maar de vraag is of de minister van verkeer en waterstaat het exclusieve recht op de opbrengst van het voormalige staatsbedrijf, dat vroeger onder haar departement ressorteerde, kan claimen. De huidige afdracht van de PTT aan zijn enige aandeelhouder, 40 procent van de jaarlijkse winst, gaat niet naar Verkeer en Waterstaat, maar naar de algemene middelen.

Niemand zal Maij-Weggen tegenspreken dat Nederland op het gebied van de infrastructuur een flinke achterstand heeft weg te werken en dat het inhalen van die achterstand van beslissende betekenis is voor de concurrentiepositie. De minister heeft vele plannen, maar haar Structuurschema Verkeer en Vervoer kent één grote makke: de financiële onderbouwing schiet ruimschoots tekort. Ook de PvdA heeft van harte ingestemd met de vorming van een aardgasbatenfonds, met de bedoeling extra aardgaswinsten exclusief aan produktieve investeringen te besteden. Maar Maij-Weggen heeft nu de principiële vraag opgeworpen of de opbrengst van de verkoop van overheidsdeelnemingen eveneens louter dat doel mag dienen.

Het antwoord daarop hangt af van hoe pijnlijk de ministers nieuwe bezuinigingen ervaren. Het benutten van de PTT-opbrengst om impopulaire bezuinigingsmaatregelen achterwege te laten in een jaar waarin ook nog verkiezingen worden gehouden, is verleidelijk. De PvdA-fractie steunt Kok in zijn mening dat geen mogelijkheid bij voorbaat moet worden uitgesloten.

Zo werd het gisteren bijna een klassieke tegenstelling tussen beide coalitiepartners, ware het niet dat ongeveer op het moment dat Maij-Weggen haar wensen stevig neerzette, de tekst bekend werd van een vraaggesprek dat het NCW-blad De Werkgever met premier Lubbers had gehouden. Op de vraag hoe het kabinet de afgesproken vermindering van het financieringstekort nog denkt te halen, zegt Lubbers onder meer: “Verkoop van overheidsdeelnemingen, bijvoorbeeld door privatisering van de PTT, biedt wellicht een mogelijkheid.” Maar ook zegt hij: “Het vooruitschuiven van noodzakelijke overheidsinvesteringen is een slecht idee.” Maij-Weggen zal waarschijnlijk wel voor een deel haar zin krijgen, maar niet helemaal.

De verkoop van de PTT-aandelen roept meer vragen op. De totale waarde wordt op 10 tot 16 miljard gulden geschat, maar klopt dat getal wel? Het huidige beursklimaat is niet gunstig voor de verkoop van aandelen, erkent ook Lubbers. Maar, voegt hij eraan toe: “Persoonlijk taxeer ik dat de aandelenkoersen in Nederland over een jaar weer gaan stijgen.”

Vraag is ook hoeveel aandelen de overheid, verspreid over verscheidene tranches, uiteindelijk zal verkopen. De wet verplicht haar een meerderheidsbelang van 51 procent in het nutsbedrijf PTT te houden. Maar PTT-topman ir. W. Dik heeft er vorig jaar al voor gepleit dat belang verder te verkleinen, ook al omdat het bedrijf in toenemende mate commercieel opereert en (internationale) concurrentie ondervindt. Naar verluidt vindt ook het kabinet, inclusief het PvdA-smaldeel, dat de overheid als aandeelhouder naar een minderheidsbelang mag terugtreden. Zodat het kabinet nog een paar jaar incidenteel plezier kan beleven aan de aandelenverkoop.