Leen Quist en de noordelijke traditie in Boymans

Verstandelijke en intuïtieve keramiekTentoonstelling: De Noordelijke traditie, Leen Quist, keramiek en De keramiekverzameling Koster en Quist. T/m 4 april in Museum Boymans-van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam, di-za 10-17, zo 11-17, Catalogus door Thimo te Duits, ƒ 39,90.

Eigenlijk hadden de organisatoren van de keramiekexpositie De Noordelijke traditie ook een paar vazen en schalen van Bernard Leach moeten opstellen als een daad van eenvoudige rechtvaardigheid. Niet omdat het werk van Leach anno 1993 nog vernieuwend is, maar omdat vooral de Deense exposanten in Boymans in hoge mate schatplichtig zijn aan de Britse keramist en publicist. De documentatie bij de tentoonstelling besteedt wel veel aandacht aan Leach, maar een enkele schaal zegt nu eenmaal meer dan duizend woorden.

Bernard Leach (1887-1979) werd in Japan tot pottenbakker opgeleid. In 1920 kwam hij naar Europa en vestigde zich in St. Ives in Cornwall. Onberoerd door continentale Bauhaus-achtige principes omtrent functionalistische vormgeving maakte hij in die uithoek van Engeland met de hand gedraaide steengoed potten, schalen en vazen. De vormen waren terughoudend, maar de variatie in textuur en glazuur was groot. In zijn studio zette hij een pottenbakkerstraditie in gang die enerzijds gebaseerd was op Japanse en Chinese (bijvoorbeeld Sung) keramiek en anderzijds op Europees volksaardewerk. Leachs filosofie ten aanzien van zijn beroep was typisch Japans: een goede en mooie gebruikspot doet in artistiek belang niet onder voor welk kunstwerk dan ook. In 1940 verscheen zijn publikatie A Potter's Book, voor veel keramisten tot ver in de jaren zestig een soort bijbel.

Navolgers van Leach die zich niet inlieten met keramische sculpturen of architecturale keramiek, maar stug doorgingen met het maken van schalen en dergelijke, zijn vooral te vinden in Denemarken, Engeland, Nederland en Duitsland. Voldoende redenen om van een Noordelijke traditie te spreken. De Rotterdamse expositie bestaat uit twee delen. De Nederlandse keramist Leen Quist toont een omvangrijke keuze uit de objecten die hij vanaf 1977 heeft gemaakt. Bovendien heeft hij uit de verzameling keramiek van "Noordelijke' collega's - een verzameling die hij samen met zijn partner Frans Koster opbouwde - ongeveer 120 voorwerpen aan Boymans uitgeleend.

Het is vooral de collectie Koster/Quist die verrast door zijn kwaliteit en veelzijdigheid. Hoe beperkt het thema "container' ook schijnt, de vormen, glazuren en decoraties in de Boymans-vitrines vertonen een rijke afwisseling.

Van Sonja Landweer zijn er twee klokvormige schalen op een elegant voetje. Colin Pearson legt het accent op de oren van zijn vazen: grote, verkreukelde vleugels. Een witte porseleinen kom van Beate Nieuwenburg rijst uit een opengevouwen bloem omhoog. De Zwitserse kunstenaar Edouard Chapallaz vormde een grote bolvaas die hij decoreerde met "oilspot' glazuur waarbij kleine sproeterige vlekjes het donkere fond verlevendigen. Klaartje Kamermans zag af van glazuur. Een grote rode kom legde zij in met boogjes van wit slib. Daarna ging zij aan het polijsten waardoor de kom de matte glans kreeg van het aardewerk van Indianen.

De vermaarde Deense keramiste Gertrud Vasegaard is slechts met een object aanwezig, een rechte beige kom met aan de rand negen donkere evenwijdige, enisgzins rafelige lijnen. Vasegaard en haar landgenote Clara Andersen hebben beiden Leen Quist genspireerd. Anderson, die als beginnend kunstenares enige tijd in de legendarische studio van Bernard Leach doorbracht, leerde Quist, docent handvaardigheid, gedurende twee stages in 1977 en 1978 de fijne kneepjes van haar beroep.

Quists vroegste werk, onder meer een aardewerk zeskantig kommetje met gespikkeld asglazuur, sluit goed aan bij Andersens eigen rustieke objecten. Quists aardewerkexperimenten duurden niet lang. Al snel stapte hij over op glanzend wit porselein dat hij inlegde met kobaltblauwe lijnen of motieven van vlechtwerk en visgraat. Hoewel hij in het begin van de jaren tachtig ook donkerbruin tenmoku en gespikkeld celadon op dozen aanbracht en sinds kort ook pastelkleuren toepast, zijn het vooral de perfecte blauw-witte kommen, schalen en dekseldozen die hem kenmerken. Dat heldere blauw van de lineaire decoraties en de witte ondergrond herinneren vaag aan De Stijl.

Quist beschouwt zich, gezien de titel van de expositie, als een exponent van de Noordelijke traditie. Maar zijn koele, verstandelijke keramiek heeft weinig overeenkomsten met die van de pottenbakkers uit zijn verzameling. Als Bernard Leach als de grondlegger mag gelden van de twintigste-eeuwse aardse, intuïtieve "studio-keramiek', dan mogen vooral de Denen zich een afstammeling in rechte lijn van Leach noemen. Quist behoort tot de afstammelingen in de zijlijn.