Daens van Coninx: fraai verfilmde episode uit de Vlaamse sociale geschiedenis; Blanke sabels en de uitbuiting van het proletariaat

Daens. Regie: Stijn Coninx. Met: Jan Decleir, Antje De Boeck, Michael Pas, Johan Leysen, Linda van Dyck, Wim Meuwissen, Gérard Desarthe. In 14 theaters.

Ook Vlaanderen beschikt sinds kort over een nationaal filmepos, geïnspireerd door de arbeidersstrijd rond de eeuwwisseling. Daens, afgelopen week voorgedragen voor een Academy Award voor de Beste Buitenlandse (dat wil zeggen niet Engelstalige) Film, laat zich situeren tussen Novecento, De moeder en Op hoop van zegen. Maar niet alleen in geografisch opzicht staat Stijn Coninx' verfilming van Louis Paul Boons literaire documentaire Pieter Daens, of hoe in de negentiende eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht (1971) dichter bij Guido Pieters dan bij Panfilovs De Moeder of Bertolucci's Novecento.

Met een lange loopbaan als assistent-regisseur en twee eigen films (beide met de komiek Urbanus in de hoofdrol) achter de rug, legt Coninx (35) met succes het examen af van volwassen metteur en scène. In technisch opzicht maakt de reconstructie van een textielstad aan het eind van de negentiende eeuw, grotendeels tot stand gebracht op Poolse lokaties, grote indruk; de massascènes vertonen grandeur en verraden ambachtelijke creativiteit. Als scenarioschrijver (Coninx bewerkte Boons boek samen met François Chevallier) stelt de regisseur echter enigszins teleur. Misschien hebben we al iets te vaak gezien hoe gendarmes te paard met blanke sabel op de hongerige massa inhakken, hoe de burgerij onder het theedrinken aarzelt tussen barmhartigheid en de noodzaak van een harde lijn, hoe de socialisten langzaam het wantrouwen van de gelovige arbeiders weten te overwinnen en hoe de uitbuiting van het proletariaat vooral weerloze kinderen treft.

Bij zijn schildering van de feitelijke toestand in de spinnerijen en weverijen ontkomt Coninx niet aan de valstrik van het filmcliché, hoe fraai ook de op de bleek te drogen liggende witte doeken afsteken tegen de sombere wolkenlucht. Het succes van de film, die al meer dan een half miljoen bezoekers trok in België, moet waarschijnlijk toegeschreven worden aan de behoefte aan een film met een nationale identiteit. Verreweg het interessantste deel van de film, die twee uur en een kwartier duurt, is het laatste, waarin de christen-democratie geboren wordt en haar idealen in de kiem gesmoord ziet worden.

De priester Adolf Daens (1839-1907), door Jan Decleir overtuigend vertolkt als een zachtmoedige aarzelaar en een volkstribuun tegen wil en dank, keert na les te hebben gegeven aan verschillende colleges terug naar zijn geboorteplaats Aalst. Daar betrekt zijn broer, de uitgever Pieter, hem bij het wrede lot van de arbeidersbevolking. Als hun voorvechter tracht priester Daens zich kandidaat te stellen op de lijst van de katholieke partij, maar de reactionaire volksvertegenwoordiger Charles Woeste verhindert dit. Dan richten de gebroeders Daens de "Christene Volkspartij' op en veroveren een zetel in het parlement. In 1895 ontbiedt de paus Daens naar Rome en houdt hem daar aan het lijntje, terwijl de rebellie in Aalst tijdens zijn afwezigheid de kop wordt ingedrukt.

De overtuigende scènes met de idealistische geestelijke, die bijna verdrinkt in de pompeuze Vaticaanse hallen, symboliseren fraai hoe onverenigbaar roomse gehoorzaamheid en sociale rechtvaardigheid zijn, ondanks de strekking van de pauselijke encycliek "Rerum novarum'.

Door deze stellingname bewerkstelligde Coninx dat bijna alle Vlaamse zuilen zich de film Daens toeëigenden: de christen-democraten herinneren zich de oorsprong van de afkorting CVP, de Volksunie beroept zich op het feitelijke opgaan van het Daensisme in Vlaams nationalisme en de socialisten worden gesterkt in de opvatting dat de katholieken op sociaal terrein niet te vertrouwen waren. Zelfs de liberalen kunnen met tevredenheid vaststellen dat sommige individuen in de Franssprekende Vlaamse bourgeoisie (zoals het personage van Linda van Dyck) het hart op de goede plaats droegen.

Het is de vraag of deze vele mogelijkheden tot identificatie voor de kwaliteit van de film pleiten. Wat men Daens verwijten kan, is een gebrek aan zeggingskracht en het vermijden van een standpunt. De bijzonder mooie, maar uiteindelijk retorische vormgeving gaat dan ook in zijn tegendeel werken.