"Constant opboksen tegen aantasting Groene Hart'

Het Groene Hart van Holland, dat ruwweg de ruimte binnen de Randstad omvat, staat onder enorme verstedelijkingsdruk. Gedeputeerde drs. H.L. Blok is hierover van zorg vervuld.

DEN HAAG, 24 FEBR. “Het Groene Hart van Holland, dat we allemaal zo graag open willen houden, begint juist in te krimpen. Gemeenten aan de rand vertonen een sterke drang met hun woningbouw de polder in te trekken. En waarom? Omdat daar de goedkoopste grond ligt. Maar eigenlijk is die grond onbetaalbaar als onderdeel van de schaarse natuur. Wie daar huizen neerzet, draagt bij aan een onomkeerbaar proces. Ik heb tenminste nog nooit gezien dat huizen worden afgebroken om de natuur terug te krijgen.”

Ze is duidelijk van zorg vervuld: mevrouw drs. H.L. Blok, gedeputeerde voor natuur en landschap van de provincie Zuid-Holland. Sinds ze bijna twee jaar geleden namens D66 in functie trad, heeft ze, naar eigen zeggen, constant moeten opboksen tegen aantasting van het Groene Hart, dat ruwweg de ruimte binnen de Randstad omvat. Ze klaagt vooral over de “enorme verstedelijkingsdruk” waaraan die ruimte onderhevig is, om er terstond een verklaring aan toe te voegen: “Wonen is tenslotte de sterkste maatschappelijke kracht die we kennen. Méér nog dan de economie. Wonen zit het dichtst bij het hart van de mensen.”

De cijfers laten zien dat juist Zuid-Holland wat dit betreft een niet geringe taak te vervullen heeft. Volgens de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex) moeten in deze provincie tot de eeuwwisseling 150.000 nieuwe woningen tot stand komen en dat is nog maar een ondergrens, zoals blijkt uit de jongste "trendrapportage' van minister Alders (VROM): er zullen er nog ettelijke duizenden huizen bovenop komen.

Het rijksbeleid, waar de provincie zich voluit achter schaart, wil dat daarbij het Groene Hart zo veel mogelijk gespaard blijft. Gemeenten die er middenin liggen, bijvoorbeeld Alphen aan den Rijn, zijn gedwongen tot een restrictief beleid als het om stadsuitbreiding gaat. Ze mogen, met andere woorden, slechts bouwen om de groei van hun eigen bevolking en omliggende dorpen op te vangen. Dat betekent tegelijk dat de "randgemeenten', dus steden als Rotterdam, Den Haag en Leiden, in de sector volkshuisvesting een grotere prestatie moeten leveren. Maar daarbij zoeken ze een uitweg die volgens gedeputeerde Blok strijdig is met de planologische beginselen zoals die in Zuid-Holland gelden.

Ze noemt als voorbeeld - “exemplarisch voor de hele ontwikkeling” - de plannen van Leiden en enkele buurgemeenten om de Papenwegse Polder, een "groene long' van circa tachtig hectare vlak onder die stad, vol te bouwen met 2.400 eengezinswoningen. Mevrouw Blok is daar falikant op tegen en voelt zich in haar afkeer van de bouwplannen gesteund door het rijk, dat twee instrumenten in stelling heeft gebracht om het dichtslibben van de Papenwegse Polder juist te voorkomen.

Dat is allereerst de politiek van VROM om in de Randstad tussen de afzonderlijke steden bufferzones vrij te houden om te voorkomen dat de agglomeraties aan elkaar groeien. Verder valt de bewuste polder onder de zogenoemde Relatienota van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij. In het kader van die nota kunnen boeren een beheersovereenkomst met het departement sluiten om zich tegen vergoeding beperkingen op te leggen terwille van de natuur, bijvoorbeeld de weidevogelstand. Van die mogelijkheid wordt hier al royaal gebruik gemaakt: op 65 procent van de grond rust nu zo'n beheersovereenkomst.

Mevrouw Blok: “Die score hoeft niet te verbazen, want het is een gebied met hoge natuurwaarden, een overblijfsel van het oude strandwallenlandschap, maar tegelijk een terrein dat regelmatig onder vuur heeft gelegen. Men heeft hier al van alles geprobeerd: woningbouw, een snelweg, een golfbaan. Al die projecten zijn verijdeld en als het aan mij ligt, gebeurt dat dus ook met de nieuwste plannen van Leiden. Want volbouwen kan natuurlijk niet als je de burger tegelijk belooft die polder open te houden.”

Een van haar grieven luidt dat Leiden een lage bouwdichtheid nastreeft. Mevrouw Blok: “Het gaat om dure woningen met veel groen, die per stuk een aanzienlijke ruimte opeisen. Zo komen dus de beter gesitueerden aan hun trekken. En ik begrijp ook wel waarom Leiden hiervoor kiest. Door deze goedkope grond te benutten wil het gemeentebestuur geld sparen om elders duurdere locaties te financieren, bijvoorbeeld in het kader van de stadsverniewing of op vervuilde bodem, die eerst gesaneerd moet worden. Maar dan zeg ik: laat die Papenwegse Polder met zijn rijke flora en fauna met rust en probeer het elders. In andere, minder waardevolle polders vlakbij de stad en in de bollenstreek is voorlopig ruimte genoeg.”

De gedeputeerde grijpt deze "casus' aan om krachtig te pleiten voor een hoge bouwdichtheid - “om het kleine beetje natuur dat ons in Zuid-Holland nog rest, zo lang mogelijk veilig te stellen”. “Laten we ophouden te denken dat we in de Randstad op dezelfde manier kunnen wonen als in Drenthe, met ieder zijn eigen voor- en achtertuin.”

Hoogbouw dus. “Maar dan natuurlijk geen Bijlmer”, aldus Blok, “maar een creatieve vorm van flatwoningen, bijvoorbeeld piramidebouw met voor ieder een eigen stukje groen op het terras. Het verbaast me dat die compacte en tegelijk aantrekkelijke vorm nog maar zelden wordt toegepast. En als ik me daar sterk voor maak, denk ik in het bijzonder aan sociale en premiebouw, want daar openbaart zich, nog steeds, de woningnood. Mensen die zich een duur huis kunnen permitteren, vinden hun plek toch wel.”

Intussen ziet ze het Groene Hart - tot haar leedwezen - ook op andere plekken bedreigd: “Gouda heeft met Waddinxveen en Moordrecht een convenant gesloten om in de Zuidplaspolder te bouwen. Gorcum, in de uiterste oosthoek van de provincie, wil over de A-15 heen de Alblasserwaard in. Het is allemaal strijdig met ons beleid en als je toelaat die plannen uit te voeren, kun je de groene longen wel vergeten. Weg is weg en je krijgt het nooit meer terug.”

Wat Blok in feite wil, is dat polderland met belangrijke natuurwaarden planologisch over dezelfde kam wordt geschoren als de duinen: “Die hebben we met z'n allen min of meer heilig verklaard door te zeggen: dáár geen woningbouw meer, geen golfbanen, geen bedrijven. Zo zouden we ons ook over een groot deel van het Hollands-Utrechtse veenweidegebied moeten ontfermen.”

Dat alles neemt niet weg dat de "randsteden' genoodzaakt zijn te bouwen. Waar moeten ze dan naartoe om die ruim 150.000 woningen uit de Vinex neer te zetten?

Mevrouw Blok: “Om te voorkomen dat de natuur wordt volgebouwd, zie ik de steden in hun huidige omvang als het enige alternatief. Dat betekent: meer stadsvernieuwing en bouwen op gesaneerde grond. Maar daarvoor, en dat geef ik ronduit toe, ontbreekt het de gemeenten aan geld. Dat is een algemeen politiek probleem: ze krijgen van rijkswege onvoldoende middelen om te bouwen waar het hoort, namelijk in de stad zelf.”