Brussel: de betonnen kloof tussen burger en politiek

Brukselbinnenstebuiten, Oude Graanmarkt 16, bus 1 1000 Brussel 093225117883. "Eurotarus' kost ƒ 40,-.

Het effect is altijd hetzelfde - onschuldigen die in de EG-wijk van Brussel worden losgelaten komen ongelovig van hun wandeling terug. Alles wat zij altijd al van de EG dachten, wordt in één oogopslag bevestigd. Onherbergzaam, ontoegankelijk, kolossaal, maar bovenal vervreemdend. In de Brusselse Leopoldswijk is een Euro-Fremdkörper neergeploft dat niets met zijn omgeving te maken heeft. Als in een slecht gebit staan hier en daar nog rijtjes oude herenhuizen overeind - pal naast het Europarlement staat al tien jaar een compleet klooster te vergaan. Er is de laatste jaren zo hevig onteigend en gebouwd dat de verkrotting zich als een schokgolf door de wijk heeft voortgeplant. De projectonwikkelaars gaven er een monocultuur van kantoorgebouwen voor terug. Maar zelfs in dat decor vallen de Euro-gebouwen nog op door hun achteloze arrogantie. Het is hèt grote EG-euvel, maar dan in beton en glas: een kunstmatig instituut, waar de burger maar niet voor wil warmlopen.

Deze maand publiceerde de Vlaamse instelling Brukselbinnenstebuiten "Eurotaurus', een boek waarin deze betonnen kloof tussen burger en politiek wordt verklaard. Hoe kon deze fraaie 19de-eeuwse elitewijk toch veranderen in een slagveld van bureausilo's, bouwkraters en mega-gebouwen? Het antwoord luidt: omdat Brussel in België ligt. Aan deze wijk lijkt zich alles te hebben voltrokken waar België berucht om is: een krachtige privésector kreeg vrij spel van een bestuur dat geen eenduidig concept voor de grote stad wist te ontwikkelen. Het resultaat werd een EG-wijk zonder allure - Capitol Hill, op smaak gebracht door Zoetermeer. Ook in het boek In Brussel mag alles door G. Timmerman (EPO 1991) werd het verhaal over de alliantie tussen de betonboeren, de banken en de politici al eens verteld. Maar nu gebeurt het beter en gevarieerder. De auteurs leidden sinds het begin van de jaren zeventig al groepen Vlamingen (en incidenteel Nederlanders) in Brussel rond, in de hoop hen "interpreterend' te leren kijken. De aanvankelijk ach-wat-mooi-roepers bij een restauratie laten ontdekken dat het respect voor de 19de-eeuw precies één gevelsteen dik was. "Façadisme' noemen ze het, waarmee alles is gezegd.

Ideologen of actievoerders zijn ze echter niet. De groep distantieert zich nadrukkelijk van de anti-EG beweging in Brussel, die Jacques Delors alle planologische rampen in de stad wil aanwrijven. De toon van hun verhaal is een mengsel van wrevel, verbazing en liefde voor de stad. Bijvoorbeeld over de vergane glorie van het Residence Palace, een tot kantoor verminkt art-deco appartementsgebouw, pal tegenover het saaie Charlemagne kantoor waar de EG-Raad van ministers vergadert en het leegstaande Berlaymont van de Commissie. De bewoners van de Residence beschikten ooit over een eigen zwembad, theaterzaal, spoorstation (in de kelder), restaurants, parkeergarage, daktennisterras, Turks bad, massagesalon, scherm- en sportzaal. Correspondentie ging per buizenpost naar het eigen postkantoor. Het diner kwam per dienstlift uit de centrale keuken.

Brussel lijkt uit louter bouwkundige contrasten te bestaan - het is de stad van de voldongen feiten die trouw worden aangedragen door de aannemers en grondeigenaars. Vorige week lekte een vergevorderd particulier plan uit om een metrolijn tussen vliegveld Zaventem en het Zuidstation te bouwen. Van de Navo aan de rand tot de Naamse Poort in hartje Brussel zou er een tunnel worden geboord, voor wat uiteraard de "Eurometro' zal heten. De rol van de overheid in dergelijke projecten is meestal marginaal. Buiten de direct omwonenden is de samenleving er ook weinig bij betrokken.

De gidsen van Brukselbinnenstebuiten menen dat de desinteresse van Walen en Vlamingen voor hun metropool parallel loopt met hun houding tegenover de Belgische Staat. Belgen zijn een volk dat liefst op het platteland woont, z'n kop intrekt en z'n hachje redt, zegt auteur Joris Sleebus, met enige ironie. Het is de verzetsmentaliteit door de eeuwen heen, tegen de bezetters en tegen de stad, die nog steeds het klimaat bepaalt. De Belgische Staat is voor menige Belg even kunstmatig en opgedrongen als de EG. "Brussel' is dan snel een synoniem voor een duister complex van betonbaronnen en "politiekers' van de stad, het gewest, de regering en Europa. “Als het maar daar gebeurt, dan is 't tenminste nie-bij-ons”, karakteriseert Sleebus de afwerende houding. De Belgen hebben de laatste decennia hun hoofdstad dan ook in hun hoog tempo verlaten. Woonden er in 1975 900.000 Belgen in Brussel, nu zijn dat er nog maar 600.000. Zij werden allemaal vervangen door migranten. Bij Nederlanders merkt Sleebus daarentegen vaak een groot enthousiasme voor de wereldstad Brussel, “voor hen de dichtstbijzijnde 19de eeuwse grote Zuid Europese stad”. Voor Belgen is Brussel echter steeds meer de nationale kantoortuin geworden, waar men 's ochtends in de file naar toe kruipt om er 's avonds opgelucht weer te vertrekken.