Beunhazen en nepwetenschappers

In NRC Handelsblad van 5 februari hoont J.L. Heldring sommige zogenoemde intellectuelen om hun zelfoverschatting en vakonbekwaamheid. Als voorbeeld neemt hij, overigens niet voor de eerste maal, de polemologen, die hij van geen enkele wetenschappelijke waarde acht. In het geval van prof. mr. B.V.A. Röling verwijt Heldring hem dat hij zijn vak, de criminologie, heeft verlaten voor zo'n schijndiscipline als de polemologie.

Het vraagstuk van wetenschap en pseudo-wetenschap is oud, en blijvend van aard. Het doet zich bovendien voor in verschillende verschijningsvormen, er isveel geld mee gemoeid en het kan mensen in verwarring brengen. Daarom is het misschien nuttig te proberen er één lijn in te trekken. Ik stel voor vier soorten schijnwetenschappers te onderscheiden: de heulers, de knoeiers, de half-intellectuelen en de bezweerders.

Iemand als Röling beheerste dus kennelijk een vak, maar hij ging zich daarbuiten bezighouden met een schijnvak. Dat heet beunhazerij. Zo iemand zou je een heuler kunnen noemen. Iemand die meeloopt met beunhazen, of zelfs de voorwaarden schept voor de beunhazen om aan de academische kost te komen, zoals een salaris, om te beginnen. En verder academische titels, studenten, een lijst met pseudo-wetenschappelijke publikaties, een kamer, een instituut, maatschappelijk aanzien. Maar Heldring maakt ook nog melding van een hoogleraar die na de opheffing van het Polemologisch Instituut hoogleraar blijft, “... maar nu in een vak waarin hij even weinig in heeft gepresteerd als in het vorige”; wat, als ik het begrepen heb, geen vak was. Maar afgezien daarvan ga ik met een gerust hart af op het gezag van mr.dr. J.L. Heldring als die, even in mijn woorden, beweert dat we daarmee een voorbeeld hebben van een recht-toe-recht-aan hooggeleerde knoeier.

Beunhazen-heulers en -knoeiers vind je natuurlijk niet alleen, of zelfs maar in hoofdzaak, in de nepwetenschap van de polemologie. Je vindt ze bij bosjes in de acupunctuur, de homeopathie, de psychoanalyse, verscheidene gogen- en logenrichtingen, een (aanzienlijk?) deel in de vrouwenstudies, en op nog veel meer plaatsen. Ze veroveren via boterzachte of keiharde corruptie hun plaatsen in de academische wereld. Met dat doel voor ogen breien ze eigen netwerken. Daardoor kunnen ze elkaar academische titels toekennen, geldstromen afleiden van de vakwetenschappen naar hun nep-wetenschappen, en eigen publikatiekanalen graven om de concurrentie met de wetenschappelijk bewaakte vakbladen te omzeilen. Ik heb zo'n idee dat met de heulers en de knoeiers toch al gauw enkele honderden miljoenen guldens per jaar gemoeid zijn. Met andere woorden, het gaat hier niet om een vrijblijvend verhaaltje.

Een derde soort beunhazerij in de wetenschappen werd onlangs uitvoerig op de televisie vertoond door Wim Kayzer in zijn reeks gesprekken met geleerden; overigens waren maar drie van de zes onderzoeker. Met Kayzer zitten we bij de half-intellectuelen. Kenmerkend is het gebruik van moeilijke woorden (Max Pam over die reeks) en pretentieuze rimram (Ileen Montijn). Ze gebruiken abacadabra in een poging te verhullen dat ze geen enkele verwantschap hebben met het wetenschappelijk bedrijf, maar zich toch zo dolgraag bewegen tussen geleerden, als collega's-onder-elkaar. Ik denk dat de half-intellectuele beunhazen de wetenschappen weinig kosten.

Ten vierde, en ten slotte, zijn er de beunhazen als magiërs, in talloze gedaantes. Deze bijgelovigen proberen de krachten die ze vermoeden in de wereld, hun lichaam en hun geest te bezweren. Ze leven in één van de rijkste en meest beschaafde landen ter wereld. Ze beschikken over sociale voorzieningen en een ziekenzorg die hun weerga niet hebben. Desondanks zijn ze diep ontevreden, schofferen ze de artsen en het wetenschappelijk onderzoek, en vinden dat ze recht hebben, nu, onmiddellijk, op een snelle genezing van elke kwaal. We kwamen de magiërs al tegen bij de acupuncturisten en de homeopaten. Maar de magische beunhazen bloeien pas echt op bij bezweringen die gaan van Aardstralen tot Zen, en een heleboel daartussen, zoals astrologie, bijna-dood-ervaring, grafologie, parapsychologie, toverdiëten, en noem maar op. Zie voor een meer volledige opsomming Rudy Kousbroeks Avondrood der magiërs uit 1970, met gelukkig vele herdrukken en Einsteins poppenhuis uit 1990.

Dat wetenschappers wel eens hun hart luchten over hun geldzorgen kun je je goed voorstellen als fatsoenlijk onderzoek niet meer kan worden voortgezet. Maar dan vraag ik vaak al gauw of ze geprobeerd hebben hun geld te halen bij de beunhazen die er mee aan de haal zijn.