Zeemanscentrale trekt nauwelijks nog Nederlandse zeelui

ROTTERDAM, 23 FEBR. De kinderen van bootsman Ary Lagage zitten in een weeshuis. Als hij op zee is, haalt het christelijk koopvaardijwerk van het Zeemanshuis Rotterdam hen zondag op voor de kerkdienst. Het geeft de kinderen ook wekelijks het zakgeld dat Lagage apart heeft gelegd. De 43-jarige bootsman vaart al dertig jaar. Wanneer hij aan wal is, logeert hij in het zeemanshuis aan de Willemskade.

Het Rotterdamse zeemanshuis, het eerste tehuis voor zeelieden, is opgericht door de Nederlandse Zeemanscentrale, een organisatie die vandaag honderd jaar bestaat. De centrale ijverde vanaf 1893 voor de verbetering van de maatschappelijke positie van "den Nederlandschen Zeeman'. Ze sloot voor hen goedkope verzekeringen af en richtte tehuizen, een bibliotheek en een arbeidsbeurs op. “Zeelui werden tot die tijd vaak uitgebuit”, vertelt P. van Berge, voorzitter van de Zeemanscentrale. “Voor een baantje betaalde een zeeman handenvol geld aan de kroegbaas. Die bemiddelde tussen de kapiteins van de schepen en de zeelieden, omdat hij iedereen kende.” Tegenwoordig financiert de centrale nog slechts activiteiten die zij de moeite waard vindt, zoals de inrichting van tehuizen op Curaçao en huizen die door plaatselijke organisaties zijn opgericht in Singapore en Jakarta. De centrale is gevestigd in het Rotterdamse Zeemanshuis.

Nederlandse zeelui hebben het moeilijk. Rederijen nemen steeds meer goedkope buitenlandse zeelieden in dienst, zoals Filippijnen en Kaapverdianen. Soms zitten er twaalf bemanningsleden op een schip die allen van een verschillende nationaliteit zijn, vertelt Van Berge. Aanvankelijk was het zeemanshuis alleen bestemd voor Nederlandse zeelieden, maar daarmee is noodgedwongen gebroken. De meeste mannen die aan de bar in het Zeemanshuis zitten zijn van buitenlandse afkomst. De voertalen zijn Spaans en Engels.

Lagage is een van de zeldzame Nederlanders in het zeemanshuis. Een andere Nederlandse gast heeft vandaag geluk: hij weet een baantje te bemachtigen. Al een maand zocht hij naar werk. De kapitein die belde wilde een buitenlander, maar hij stond toevallig bij de telefoon. Lagage: “Uit de opmerkingen van de Nederlandse zeelui hier merk je dat de grens is bereikt. Veel van hen stemmen op Janmaat.”

Meer dan de helft van de scheepsgezellen aan boord van de koopvaarders die onder Nederlandse vlag varen, is van buitenlandse afkomst. Vooral in noodsituaties is het taalverschil op een schip gevaarlijk, zegt een voorlichter van de Federatie van werknemersorganisaties in de Zeevaart (FWZ). Bovendien is de werkdruk voor geschoolde zeelui hoog. Zij doen al het werk dat de ongeschoolde buitenlandse bemanning niet aankan. Tot dusver worden vooral de Nederlandse scheepsgezellen, zeelui zonder diploma of met een lage opleiding, vervangen door Spanjaarden, Portugezen en Aziaten.

Als het aan de redersverenigingen ligt, worden ook de officiersfuncties in de toekomst door de goedkope buitenlandse zeelui vervuld. Dat zou de werkgelegenheid pas echt bedreigen. Van Berge: “De gediplomeerden, die een streep voor hadden op de niet opgeleiden, raken dan hun baan kwijt. Bovendien wordt de hele infrastructuur van de Nederlandse scheepvaart bedreigd. Oude Nederlandse officieren gaan nu met hun ervaring en kennis vaak in de haven werken. Als de Nederlandse officier wordt verdrongen, verdwijnt ook die ervaring naar het buitenland.”

De voorzitter vreest dat zeelieden in toenemende mate vereenzamen door de slechte onderlinge communicatie. Bovendien werken ze vaker alleen door de automatisering op de schepen. “Ze komen elkaar nauwelijks meer tegen op zo'n immens schip.”