Wit

Rob belde met vijf centimeter sneeuw uit Wapse. Dus naar het noorden. Maar boven Zeist lag ook al wat en op de Veluwe vond ik het wel genoeg.

Bij een bungalow in Putten stond een pop in de vorm van een sumo-worstelaar. Een meisje trok een slee met een jongetje. De weg was blubberig. Ik bespeurde een lichte neiging tot slippen.

Ik zette de auto weg in Drie en begon te lopen. Hoge bomen zeefden het zonlicht. Uit alle kruinen vielen druppels, nu en dan het ploffen van een kluitje wit. Op open plekken dampte het een beetje.

Sneeuw. De geur van kou. De afdruk van je schoenzool. Dat je er steeds weer iets van op wilt pakken. Hoe het voelt in je handen. Eerst als de vacht van een dier, dan hard en waterig. Je mist de hond. Hij kijkt wel om.

De Ermelose heide lag zorgeloos onder het intense blauw van de hemel. Er hobbelden twee jeeps over de vlakte en ik kan alleen maar zeggen: jammer dat het geen tanks waren.

Daarna dwars door de bossen van Speuld en Spriel. Tamelijk saaie bossen, met uitzondering van stukken met stakerige beuken en krankzinnig verwrongen eikjes, waarbij je denkt aan spook- en sprookjesachtig.

In de loop van de middag: dat sneeuw niet bestand is tegen zoiets simpels als een paar graden boven nul.