Spookbeeld van fascisme is nationaal bindmiddel; Men kan kennelijk niet genoeg krijgen van de openlijke geloofsbelijdenis; De zwarte piet zal nog lang blijven rondgaan in het intellectuele kaartspel

In NRC Handelsblad van 4 februari konden we twee berichten lezen die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben maar die, als je toevallig op het malicieuze idee komt ze te combineren, opeens een licht werpen op onze merkwaardige politieke cultuur. Daar was een kleine bloemlezing waarin enkele meer of minder belangrijke Nederlanders de afgelopen dagen getuigden van hun afschuw over de beschadiging van het Auschwitzmonument. De politie had nog geen enkel spoor, maar men toonde zich weer diep geschokt. Aan de racistische opzet viel immers niet te twijfelen. Er schijnt trouwens ook een telefoontje te zijn geweest van een rechts-extremistische beweging, maar dat iedereen die zich verveelt - en dat zijn er velen - aan de telefoon gaat hangen om anderen de stuipen op het lijf te jagen, is ook niet onbekend.

In dezelfde uitgave werd tot ons aller opluchting meegedeeld dat de glazenier zelf de ruiten kapot had geslagen om een constructiefout te verdoezelen. Spijtig voor al die bloemen en die verbijstering die zovelen in oprechte humaniteit verbond?

R. Naftaniël van het CIDI, die met de regelmaat van een klok tegen opkomend racisme en antisemitisme waarschuwt, vindt blijkens de berichten achteraf dat elke aanleiding moet worden aangegrepen tot een vlammend protest tegen antisemitisme. Bij de vele moedwillige vernielingen en onopgehelderde brandjes die regelmatig worden gemeld, kan dat nog wat worden. Maar ongetwijfeld zullen er in de toekomst weer vandalen zijn die aan hun innige drang tot afbraak een racistisch-fascistisch accent weten te geven.

Een heel ander bericht meldde ons dat "de boodschap' van de Amsterdamse politie-commissaris Nordholt over het hoge percentage delicten van allochtonen "nu wel begrepen was'. Of Nordholt gelijk had deed niet ter zake. Er is immers veel onderzoek verricht dat in dikke rapporten is neergelegd; er zijn zelfs projecten ontworpen; wat is er nu mooier? De man moet dus niet zeuren. Daar kwam de reactie van een aantal Kamerleden op neer. Een reactie die even deed denken aan wat Lubbers blijkbaar heeft gezegd, namelijk dat hij zich stoorde aan al dat gepraat over de afstand tussen politici en burgers. Ook hier: niet de eventuele juistheid is aan de orde, maar het hinderlijke gezanik.

Dan was Frederik de Grote in dat opzicht toleranter. Toen verontwaardigde adviseurs hem attendeerden op een criticus van zijn beleid, vroeg hij koeltjes: “Beschikt hij over 100.000 man?”

Wat is de samenhang tussen de opwinding over een paar kapotte ruiten en de benijdenswaardige gelatenheid, waarmee de klachten van Nordholt over de grote criminaliteit onder Surinamers en Antillianen door onze parlementariërs als gedram worden weggewoven? Het frappante verschil in de reacties duidt nu juist op die diepere samenhang.

Sedert de bezetting staat de politieke Nederlandse cultuur onveranderlijk in het teken van een zeer eenvoudige polariteit: fascisme en dus racisme staan voor het absolute kwaad. Democratie en tolerantie voor het goede en voor fatsoen. Zoals de gelovigen een kruis sloegen bij het betreden van de kerk ten teken dat zij niet tot de verfoeilijke heidenen en ketters behoorden, zo moet elke politicus, publicist, journalist, columnist, sedert meer dan vier decennia bij elke bewering die tot misverstand zou kunnen leiden over zijn zuiverheid in het geloof, nadrukkelijk zijn adhesie aan de beginselen van het goede vermelden en driemaal spuwen in de richting van fascisme of racisme. Dan weten we het zeker: hij is een der onzen.

Niet bekend

Die solidariteit ontbreekt natuurlijk ten overstaan van de actuele moeilijkheden - te veel om hier op te noemen. Ik noem er toch een paar: Hoe moeten we omgaan met de multi-culturele samenleving van morgen? Met de denkbare vluchtelingenstroom uit Oost-Europa? Met de verdere Europese eenwording? Met abortus en euthanasie? Met de bezuinigingen? Met de verloedering van het milieu en de ongekende agressiviteit van de jeugd? Ja, en daarmee ben ik dan toch tot mijn eigen verbazing opeens bij de grieven van commissaris Nordholt: De verregaande machteloosheid en oneensgezindheid ten overstaan van al die grote en waarlijk urgente zaken verdwijnt achter ambtelijke rapporten en het bekende wollige en verdoezelende taalmisbruik van een politiek en ambtelijk circuit. Dat dreigt meer en meer gevangen te raken in zijn eigen vergaderruimten en papieren wereld die voor de realiteit doorgaan. Ik kan me voorstellen dat men bij lezing van die parmantige woordenbrij het gevoel heeft dat het over heel iets anders gaat, dan wat zich op straat en in bars afspeelt.

Maar het alom bekende monster van gisteren, dat in leven blijft als het spookbeeld van een herrijzend fascisme of racisme, fungeert nu al decennia lang als nationale bindsteen. Bij deze zin zie ik velen heftig steigeren: "Een spookbeeld, getuigt zo'n formulering niet van een onaanvaardbare frivoliteit?' Nu valt een verrechtsing van klimaat in heel Europa niet te ontkennen als normale reactie tegen het illusionistische progressivisme van de jaren zestig en zeventig en de ineenstorting van het communistische imperium. De vele allochtonen kunnen, bij de werkloosheid en andere problemen, gemakkelijk elementaire gevoelens van xenofobie wekken en ze doen dat. Maar het gaat niet aan om deze verschijnselen onkritisch door de bril te bezien, die men in de jaren dertig vergat op te zetten. Het systematische onheilsgeroep kan tot een hysterisch angstklimaat leiden, dat averechtse effecten heeft. Er dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen gedeeltelijk xenofobe jeugdagressiviteit en fascisme. Ik constateer dat in Duitsland honderdduizenden geprotesteerd hebben tegen gewelddadigheden. Ik constateer dat de brand in een huis van Somaliërs bij Utrecht door hen zelf was veroorzaakt en dat de bewuste glazenier gewoon een glazenier was.

Nu is het Auschwitzmonument het symbool van de grootste wandaad van de eeuw. Symbolen maken veel sneller emoties los dan harde feiten die niet zo gemakkelijk in het vertrouwde plaatje van goed en slecht passen. Ook omdat symbolisch protest veel gemakkelijker is dan het gestoei met de actualiteit. En het is nu juist ook die symboolfunctie van het fascisme-racisme, die zijn attractie uitmaakt in de ogen van degenen die de samenleving op stang willen jagen omdat ze er de pest aan hebben. Tussen de hoeveelheid bloemen en de hoeveelheid racistische leuzen kon wel eens een ander causaal verband liggen dan zo op het eerste gezicht lijkt. En als er aandacht wordt gevraagd voor de criminaliteit onder allochtonen, dan komen we prompt in de gevarenzone van de symbolen en de racistische taboes. Daar kan men snel publiekelijk zijn vingers branden. Dat taboe heeft immers tot een omgekeerde intolerantie geleid. De verkettering van Buikhuisen indertijd is een treurig voorbeeld van dit naoorlogse anti-fascistische dogmatisme.

Hoe onversleten die symboolfunctie van het fascisme als "het' ideologische en politieke kwaad nog steeds is, konden we ook zien in de discussie tussen J.L. Heldring en E.M. Janssen (NRC Handelsblad 19 januari en 6 februari); het zoveelste debat tussen intellectuelen over de aard van het fascisme. Voor "links' was fascisme altijd rechts en voor "rechts' was het in feite links.

Natuurlijk is daar een dikke laag van grondige historische kennis en analyse overheen gespoeld en wie au serieux wil worden genomen, zal niet voor een dergelijke zwart-wit (of beter wit-rood) standplaats kiezen. Toch gluurt de erfenis van die oude controverse nog door de beeldvorming heen. Heldring, die zich sedert jaren sterk maakt voor een conservatisme-opvatting zonder de negatieve lading die het in de ogen van progressieven had en heeft, noemt het fascisme een produkt, zij het een bastaard, van de democratie. Dit voor de progressieven van links. Hij citeert uitvoerig en met genoegen George Mosse: democratie is eigenlijk niet parlementaire (dus: representatieve) democratie maar massale betrokkenheid. Nu, die was er onder Mussolini en Hitler. Bij dit criterium vallen regimes als van Franco, Salazar of Dollfuss niet onder de term fascisme en met Couwenberg (NRC Handelsblad, 6 februari) zou ook ik liever van een rechtsautoritair bewind willen spreken, al moest dat dan ingrediënten uit de fascistische bagage overnemen als gebaar ten aanzien van de massa's, die niemand in de twintigste eeuw nog kon negeren.

Dat laatste duidt dan echter wel op een affiniteit met het (echte) fascisme. Men was bondgenoot in de strijd tegen liberale democratie, en vooral socialisme en communisme. Vandaar dat dit onderscheid dat wij vandaag kunnen en ook moeten maken voor de tijdgenoten in hun harde strijd vóór of tegen een humane staatsvorm en een vrije samenleving niet kon worden gemaakt, zoals Janssen opmerkt. Fascisme moest een verzamelnaam worden. Daarbij werden veel anti-fascisten alleen weer de bondgenoot van het al even onmenselijke stalinisme. Dat ook hier een ideologische affiniteit lag is al even waar.

Is het nu een puur semantische kwestie? Niet helemaal. Het is duidelijk dat degene die het begrip ruim neemt het verschil tussen reactionaire en fascistische regimes minder belangrijk vindt dan de overeenkomsten. Wie zoals Mosse, en met hem Heldring, daarentegen juist in de moderne massademocratie de ware voedingsbodem ziet, zal het verschil met reactionaire en conservatieve bewegingen, beklemtonen om ze - bij alle kritiek - niet met die nefaste term te belasten. In hun verwijzing naar de samenhang tussen fascisme, modernisme en massademocratie wordt eerder de progressieve traditie aansprakelijk gesteld voor het onheil. Maar hiervoor bestaat geen samenvattende naam al geeft de term totalitarisme duidelijk een samenhang aan. Hetzelfde geldt voor het onderscheid tussen fascisme en nationaal-socialisme. Dat onderscheid weegt zwaarder voor hen, die zich tegen links afzetten dan voor hun opponenten. De laatsten vergeten nogal eens dat het rasbeginsel, dat zo met fascisme wordt geassocieerd, juist kenmerkend was voor het nazisme en niet voor Italië.

Omdat we met een beweging te maken hebben die haar voeding zoog uit diverse ideologische en historische tradities en haar aantrekkingskracht ontleende aan een nieuw mengsel van traditionele vertrouwde denk- en levensvormen en moderne toekomstgerichte, konden ook mensen uit zo verschillende lagen zich er, althans tijdelijk, mee vereenzelvigen. Dat is geen nieuwe constatering. En omdat actie en reactie in de geschiedenis onontwarbaar zijn verstrengeld, kan men bij het aanwijzen van de verantwoordelijken altijd een stapje verder terug gaan en Rousseau en Lodewijk XIV (als heerser bij de gratie Gods) kunnen allebei als zeer verre voorloper van de charismatische volkstribuun erbij worden gesleept.

Zonder duidelijke vaste termen kunnen wij niet communiceren. Omdat die termen echter nooit volledig aan de ingewikkelde werkelijkheid van de geschiedenis recht doen, is hier ook geen definitieve uitspraak mogelijk over "het gelijk'. Dat is onbevredigend maar toch zullen we het ermee moeten doen. De zwarte piet zal nog lang blijven rondgaan in het intellectuele kaartspel en het debat zal vooral interessant blijven als getuigenis van de betrokkenen binnen de politieke actualiteit.