Serie over de geschiedenis van de Nederlandse Jazz

De Geschiedenis van de Jazz in Nederland. Deel 1: Kijkswing,

Ned 3, 20.33-21.23 u. De volgende delen zijn te zien op 2, 9, 16 en 23 maart.

"Jazzmuziek ? Ik rommelde maar wat', zegt altsaxofonist Tinus Bruyn breed lachend. "De hele avond was je bezig om één acoord uit te zoeken' vertelt tien seconden later met een bloedernstig gezicht gitarist Eddy Christiani. De twee opmerkingen samen dekken heel aardig De Geschiedenis van de Jazz in Nederland, althans het vooroorlogse deel ervan. Om als Nederlandse musicus die "vreemde' muziek te kunnen spelen moest je óf keihard studeren óf vertrouwen op je intuïtie. Al doende leerde je het beter, zoals ir. André Eschauzier ervoer die in de "roaring twenties' al actief was. Kijkswing (1919-1939) heet de opening van deze vijfdelige documentaire serie. Deze titel verwijst naar de eis van werkgevers en producenten dat de musici niet alleen de luisteraar en danser moesten "pakken', maar ook de KIJKER. Gekke bekken trekken of overdreven gebaren met de instrumenten maken, was bijna vaste prik, niet anders dan vandaag op MTV dus. Ook dat de "clip' geen uitvinding van gisteren is, is in Kijkswing te zien. Al in 1929 bleken de leden van het dans- en jazzorkest de Ramblers dolkomisch te kunnen playbacken. Naast vele foto's - de filmindustrie was nog in opbouw - is er in dit eerste deel verrassend veel "bewegends'; te zien. Paul Whiteman, "The King of Jazz' in 1926 op het Scheveningse strand, de toen in Nederland woonachtige Coleman Hawkins pratend en spelend voor Polygoon en zelfs een paar vroege amateur-orkesten. Dit alles was onmogelijk geweest zonder de speurzin, bewaardrift en expertise van het in 1980 opgerichte Nationaal Jazz Archief dat nauw bij de produktie van deze Geschiedenis betrokken was. Ook verder getuigt de serie van professionalisme, qua redactie (in dit deel Pim Gras en Herman Openneer), regie, techniek en commentaar (Aad Bos).

Wat de ontwikkeling van de Nederlandse jazz betreft, eindigt deel 1 met een forse domper. De Tweede Wereldoorlog is in aantocht waardoor de Nederlandse Jazz opnieuw in een isolement zal geraken. Schokkender dat dit van buiten opgedrongen feit is de interne "schoonmaak' door de Nederlandse overheid, eind jaren dertig. Hoofdcommissaris Versteeg van de Amsterdamse politie vergelijkt de muziek van zwarte musici met het "optreden van mens-apen, walgelijk om aan te zien', stuurt een brandbrief aan de minister van binnenlandse zaken en die vindt sluiting van de in diverse grote steden opgerichte "Negro Clubs' een goed idee. Hoe Nederlandse jazzmusici hun "Entartete Kunst' door de oorlog hielpen is te zien in deel 2. Er was collaboratie en er was verzet. Maar vooral het eerste.