Pyromaan tegen wil en dank?

Op de avonden van 11 en 18 januari 1992 vlogen in Utrecht in totaal negen personenauto's in brand. Brandstichting - zoveel werd snel duidelijk. Maar wie was de pyromaan?

Op de tweede avond werd in de struiken bij de brandende auto's een 19-jarige jongen gevonden. Hij had zijn bril in zijn hand en zijn overhemd was zwart van het vuil. Een aansteker lag naast hem. Hij was volledig bewusteloos en moest per ambulance naar het ziekenhuis worden gebracht. Pas in de ambulance kwam hij bij bewustzijn.

In zijn eerste, korte verklaring op 18 januari zegt de jongen: “Ik ben het café uitgelopen en daarna weet ik het niet meer.” Ook de volgende dag herhaalt hij dat hij zich niets meer kan herinneren. Maar op 20 januari legt hij tegenover de politie een volledige bekentenis af, nadat hij op enkele onjuistheden in zijn eerdere verklaringen is gewezen. Deze bekentenis zal hij bij de rechter-commissaris herhalen en later bij de politie met nog meer details aanvullen.

Er lijkt dus niets aan de hand. Simon Koster - zo heet de jongen - moet de dader zijn. Dossier gesloten? Toch niet. Want op een goede dag trekt Koster al zijn bekentenissen in. Hij beweert opeens dat hij zich eigenlijk nooit iets heeft kunnen herinneren. Hij heeft maar wat geknikt en beaamd om van de politie af te zijn.

Daar kan mr. Th. Clarenbeek, de voorzittende rechter van de meervoudige strafkamer van de Utrechtse rechtbank, nog steeds niet met zijn verstand bij. “Ik begrijp het absoluut niet”, zegt hij tegen de verdachte, een wat onhandige, argeloos kijkende jongen met een te klein verstand in een te groot lichaam. “U legt een aantal gedetailleerde bekentenissen af. Daarin zegt u bijvoorbeeld dat de eerste auto een Ford Taunus was. U zegt welke auto's u heeft aangestoken en dat ze "als een fakkel' brandden. U vertelt ook hoe u ze heeft aangestoken: bij de grille van kunststof. Toen keek u achterom en ging u van schrik onderuit. Zó hebben ze u gevonden.”

“Ik weet alleen dat ik in de ambulance wakker ben geworden.”

“En naar de eerste door u georganiseerde brand, op 11 januari, heeft u zèlf staan kijken?”

“Ik herinner het me niet.”

Branden hadden altijd al de belangstelling van Koster gehad. Zijn vader, werkzaam bij de politie, was tevens lid van de vrijwillige brandweer. Als diens pieper overging, rukte ook Simon - nog vrijwilliger dan zijn vader - uit.

Zijn rechters lijken niet te kunnen geloven dat hij zijn bekentenissen verzonnen heeft.

“Heeft u voor uzelf het idee dat u het geweest bent”, vraagt Clarenbeek.

“Nee. Ik zat in die cel en ik vond het er verschrikkelijk. Toen vertelden die agenten me hoe ik gelopen ben. Nou, het was een van de routes die ik altijd loop van café naar huis. Dus dat zou best kunnen.”

Een van de bijzittende rechters bemoeit zich ermee. “Maar op 22 januari heeft u met uw vader een gesprek gehad. U ging er toen van uit dat u het gedaan had.”

“Toen zat ik in de cel.”

“Maar het was dus ook uw vader tegen wie u het toegaf - niet alleen de politie.”

“Ik was volledig overstuur. Het gesprek met mijn vader was vlak na de bekentenis. Die agenten zeiden: als je bekent, ben je hier snel weg.”

Op dit punt zal de rechtbank deze middag geen centimeter verder komen. Maar er is méér aan de hand met Simon Koster. Hij heeft een ziektegeschiedenis achter de rug die het aannemelijk maakt dat hij soms in diepe schemertoestanden terechtkomt. Zijn hersens zijn kort na zijn geboorte licht beschadigd. Bovendien is hij op veel latere leeftijd zwaar mishandeld - met kettingen op zijn hoofd - en heeft hij hersenletsel opgelopen bij een ongeluk met zijn snorfiets. Een verpleegkundige beschreef zijn toestand na de tweede serie branden als "hysterische bewusteloosheid', wat duidt op een organisch-cerebrale psychose.

Koster zegt dat hij de laatste jaren tot vier keer toe "een deel van de dag' is kwijtgeraakt. Zomaar. Een zwart gat in het geheugen. Dan wilde hij de hond uitlaten waarmee hij vijf minuten eerder was thuisgekomen. Geleidelijk is gebleken dat die geheugenstoornissen samenhangen met alcoholgebruik. En omdat Koster lange tijd in de horeca heeft gewerkt, kregen zijn kwetsbare hersens meer opdonders dan ze konden verdragen. Zo had hij in de nacht van 18 januari vóór de branden "wat biertjes, vijf cola's-vieux en een wodka' gedronken. Zijn hersens moeten toen zo ongeveer op sterk water gedreven hebben.

In dat feit bijt de officier van justitie, mevrouw mr. P. Kuster, zich vast. Zij vecht zijn hersenbeschadiging niet aan, maar zij verwijt hem wèl dat hij zich door overmatig drankgebruik in deze toestand heeft gebracht. “Als hij niet drinkt, is hij geen gevaar. Het gebruik van alcohol houdt een risico in dat de verdachte kan worden toegerekend. Hij had immers al eerder black-outs gehad.”

Over zijn latere ontkenningen zegt ze: “Misschien berusten ze op een psychisch mechanisme dat ik niet kan doorgronden.” Ze eist een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk. Dit ondanks het feit dat de geraadpleegde psychiater Koster niet toerekeningsvatbaar noemde.

De advocaat, mr. M. le Poole, bepleit vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging. Aan de bekentenissen hecht hij geen waarde. “Het is een combinatie van wat de politie hem voorhield en zijn fantasie. De politie wilde de zaak oplossen en hij had niet de moed om te zeggen: wat ik me niet herinner, beken ik niet.”

Hij houdt het "in theorie' voor mogelijk dat de branden door een ander zijn gesticht. Maar hij vindt, hoe dan ook, mèt de psychiater dat Koster niet toerekeningsvatbaar is. “Hij is door zijn behandelaars nooit gewaarschuwd voor het gevaar van alcoholgebruik. Bij die eerdere gevallen dacht hij dat het door moeheid kwam. Hij kon niet bevroeden dat hij in zo'n diepe schemertoestand zou komen.”

Simon Koster hoort het allemaal in zwijgende gelatenheid aan. Hij zit erbij alsof het niet over hèm gaat. Zelfs de pittige eis van de officier brengt geen zichtbare reactie teweeg.

“Hij ervaart het als bizar dat hij mogelijk de dader is van de brandstichtingen”, zegt de advocaat. “Hij kan het zich nauwelijks voorstellen. Het is voor hem een abstract, angstaanjagend gegeven. Daarom zit hij er nu zo weinig geëmotioneerd bij. Hij zal moeten voortleven met de angst dat ergens iets in hem schuilt waarop hij zelf geen vat heeft.”

(Het vonnis, twee weken later: de rechtbank houdt deze zaak voor onbepaalde tijd aan. Het onderzoek wordt heropend om de verbalisanten te laten horen door de rechter-commissaris en om dezelfde psychiater opnieuw te laten rapporteren.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.