Oosteuropees perspectief voor adviseur met relaties; "Midden- en Oost-Europa is een potentieel belangrijke markt'; Coördinatie Westerse hulp aan Oost-Europa is knelpunt

Westerse consultants weten in Oost-Europa heel wat werk te vinden, maar om het te krijgen zijn innige banden nodig met zowel West- als Oosteuropese autoriteiten. Die relaties blijken effectief. Over het effect van de adviezen is minder bekend.

De Westerse consultant helpt Oosteuropese landen graag vast te stellen voor welke problemen ze dringend hulp nodig hebben. Als Oosteuropese landen kunnen worden gestimuleerd Westerse adviezen te vragen, levert dit werk op voor Westeuropese adviesbureaus. Projecten in Oost-Europa kunnen zowel in Nederlands als Europees kader (respectievelijk de hulpprogramma's PSO en Phare) alleen worden gesubsidieerd als het betrokken land zelf om die hulp heeft gevraagd. Consultant S. Cammelbeeck, werkzaam bij Nedlloyd-dochter Logion: “Oosteuropese landen moeten geholpen worden bij het vaststellen wat hun prioriteiten zijn, want dat weten ze vaak zelf niet.”

Zowel Nederland als de EG kennen hulpprogramma's voor Oost- Europa (respectievelijk PSO en Phare), maar subsidies voor advies komen pas los nadat het betrokken land zelf om hulp heeft gevraagd. F. Spaargaren, voorzitter van de raad van het bestuur van het adviesbureau DHV uit Amersfoort, beschouwt het aanknopen van goede relaties ter plekke dan ook als een van de belangrijkste taken van een consultant. Zijn medewerkers steken hun voethoorns uit binnen ministeries in Warschau, Praag en Boekarest. Wie betrokken kan raken bij de discussies over de problemen daar, verkeert uiteindelijk in de beste positie om adviesopdrachten binnen te slepen.

Alan Mayhew, het hoofd van het Brusselse EG-bureau voor het Phare-programma, hodut vast aan het principe dat landen die hulp ontvangen zelf moeten beslissen aan welke projecten ze geld willen besteden. Hoe moeilijk dat soms ook is. In de Oosteuropese landen is alles een prioriteit erkent hij, Daarom moeten ze worden geholpen tot een keuze te komen.

Cammelbeeck is consultant voor transportzaken bij Logion, een adviesbureau dat eigendom is van Nedlloyd. Het werk in Oost-Europa, dat de laatste drie jaar is opgekomen terwijl het aantal projecten in ontwikkelingslanden verminderde, is op het ogenblik goed voor een kwart van de totale omzet van tegen de vijf miljoen gulden van Logion. Cammelbeeck constateert over Oost-Europa :“Men denkt daar in hardware. Het kost daar moeite om te denken wat je markten en je produkten zijn. Technisch is men zeer goed op de hoogte, maar organisatorisch niet. Een investeringsvoorstel maken is een crime. Computers en automatisering zijn heilig. De duurste systemen worden gekocht, maar men kan er niet mee omgaan.”

Logion heeft met PSO-geld een nieuwe organisatiestructuur ontworpen voor de Bulgaarse staatsrederij, waarbij de adviezen varieerden van het afstoten van kinderopvangverblijven voor het personeel tot het bevestigen van bordjes voor mannen en vrouwen op de deuren van schoongemaakte toiletten. Het is voor consultants niet alleen belangrijk om goede relaties te hebben in landen waarvoor hulp gegeven wordt, ook goede contacten bij subsidieverstrekkers kunnen werk opleveren. Zo vertelt Cammelbeeck dat Logion door de EG werd gevraagd deel te nemen aan een missie naar Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije. Het gerucht deed de ronde dat in die landen een aardappeloverschot lag van 200.000 ton. In Brussel was bedacht dat al die aardappelen gebruikt konden worden als voedselhulp voor Roemenie. Logion moest adviseren hoe die aardappelen naar Roemenie vervoerd konden worden.

Het verhaal over de 200.000 ton bleek echter niet te kloppen. Na veel zoeken spoorde de missie toch een redelijk aardappeloverschot op in de betrokken landen en maakte een plan voor het vervoer naar Roemenie. Dat plan is echter nooit gerealiseerd, omdat Frankrijk liever de aardappelen aan Roemenie leverde.

Het komt geregeld voor dat Westerse adviseurs voor Oost-Europa adviezen opstellen die niet worden gebruikt. Viel Oosteuropeanen noch Logion te verwijten dat het "aardappelrapport' niet werd uitgevoerd, in veel andere gevallen krijgt Westers advies geen vervolg omdat het in Oost-Europa aan kennis over de markteconomie ontbreekt.

Mr. P. Meyer Viol, oud-KNP-bestuurder en tot voor kort werkzaam bij de Treuhand, de instelling voor de privatisering van de economie in de voormalige DDR, heeft dan ook kritiek op veel activiteiten van Westerse adviseurs in Oost-Europa. Wat Meyer Viol, nu tijdelijk adviseur voor privatisering in de Letse hoofdstad Riga, wèl effectief noemt, is het optreden van consultants die ter plaatse kantoren met lokale medewerkers openen.

De DHV-groep uit Amersfoort volgt die strategie. Onlangs werd in Boedapest DHV Magyarország geopend, waar Nederlandse consultants samen met Hongaren werken aan projecten als ontwikkeling van het middelbaar beroepsonderwijs, toerisme en een plan van aanpak voor de vermindering van de uitstoot van koolwaterstoffen door de industrie. DHV, 75 jaar oud maar vooral de laatste decennia mede dank zij de Nederlandse ontwikkelingshulp groot geworden, haalt volgens bestuursvoorzitter Spaargaren op het ogenblik 2 procent van zijn 375 miljoen gulden omzet uit de Oosteuropese markt. Dat aandeel zal groeien, verwacht hij.

DHV heeft in Boedapest lokale krachten in dienst. Zij hebben een hoog opleidingsniveau en bezitten ook nuttige expertise van lokale omstandigheden. In tegenstelling tot consultants die incidenteel naar een land gaan om er losse projecten uit te voeren, wekt een lokale vestiging volgens Spaargaren niet het gevoel bij de Oosteuropeanen dat "ze er met ons geld vandoor gaan'.

Het voordeel van het werken met lokale krachten - wat DHV ook al in Praag en Warschau doet - is bovendien dat ze goedkoper zijn dan Nederlanders. Volgens Spaargaren is dat interessant bij de tarieven die consultants in rekening kunnen brengen - voor PSO maximaal 1500 gulden per dag en voor Phare tussen de 500 en 800 ecu per dag, tussen de 1100 en 1760 gulden.

Spaargaren: “In Midden- en Oost-Europa moet veel gebeuren. Het is een potentieel belangrijke markt. Het is voor ons belangrijk daar in een vroeg stadium bij betrokken te raken, ondanks de kleine winstmarges. Als je in Hongarije met Hongaren kunt werken, valt er op den duur een redelijke boterham te verdienen.” DHV heeft de afgelopen jaren ook vestigingen geopend in verschillende Westeuropese landen. Eén van de plezierige gevolgen daarvan is volgens Spaargaren dat de kans is toegenomen projecten in Oost-Europa toegewezen te krijgen die de EG in het kader van Phare financiert. Voor de Phare-projecten kunnen consultants in Brussel aan een inschrijving meedoen. Bij de toekenning van projecten wordt behalve op de prijs ook gelet op een verdeling van de opdrachten over de EG-landen. Daarom kan het aantrekkelijk zijn om met DHV-kantoren uit verschillende EG-landen gezamenlijk in te schrijven.

Volgens Alan Mayhew, hoofd van het Brusselse Phare-bureau, is de verdeling per land overigens van secondaire belang bij de toekenning van projecten, omdat maar moeilijk is na te gaan welk land bij welke consultant hoort. Spreiding wordt nagestreefd, maar een zekere ongelijkheid valt nauwelijks te voorkomen. Zo geven de statistieken aan dat België met 12,2 procent van de opdrachten relatief veel projecten verwerft, maar dat vloeit voort uit het feit dat veel internationale adviesbureaus in Brussel zijn gevestigd.

Mayhew heeft overigens veel begrip voor de kritiek die het Phare-programma oproept. “Na het einde van de communistische regimes rende men dadelijk naar Oost-Europa om onze modellen over te planten, zonder dat men begrip had voor de problemen. Iedereen plande privatisering van staatsondernemingen naar Westers model en het duurde lang voordat men begreep dat dat niet zomaar gaat.”

Hij bevestigt dat problemen zijn ontstaan doordat veel deskundigen vanuit ontwikkelingslanden naar Oost-Europa gingen zonder zich voldoende te realiseren dat de Oosteuropeanen een veel hoger opleidingsniveau hebben. “Ik heb het zelf in Polen gezien. Het was daar geen start vanaf punt nul. Ook onder het oude systeem waren daar goede managers, die moesten alleen werken met verkeerde doelen van politici.”

In plaats van een consultant zou Mayhew liever mensen met grote praktische ervaring in het bedrijfsleven naar Oost-Europa sturen, omdat zij in samenwerking met lokale krachten veel beter kennis kunnen overdragen. Maar zulke ervaren mensen zijn moeilijk te vinden, omdat slechts weinigen zich voor langere tijd kunnen vrijmaken. Zicht op de effectiviteit van de Europese en Nederlandse hulpprogramma's is er nog weinig. Zowel de EG als Nederland zullen binnenkort onderzoek beginnen naar het effect van respectievelijk Phare en PSO. Voor A.J. van Overbeeke, PSO-coördinator van het ministerie van economische zaken, staat bij voorbaat vast dat daarbij zal blijken dat niet alles uitstekend is. “Maar dat is onvermijdelijk.”

Een cursus management voor luchthavens en luchtvaartmaatschappijen in Boedapest, Praag en Warschau, met als docenten Nederlanders die de praktijk kennen, heeft tot groot enthousiasme geleid, zo weet Van Overbeeke. Maar hij zegt geen idee te hebben van wat er geworden is van het mime-theater in Oost-Berlijn dat - na de val van de Berlijnse muur, maar voor de Duitse hereniging - werd gesteund met 20.000 gulden. “Men vond dat je kon helpen bij de modernisering van de economie, maar dat je ook ideëel moest zijn, dat het niet bij brood alleen kon blijven. Het is onzin om zoiets te doen in een land dat middenin een omwenteling zit”, zegt hij.

Voor iedereen die te maken heeft met de gesubsidieerde overdracht van kennis aan Oost-Europa, is coördinatie één van de grootste problemen. Agnes Nádházi van het Hongaarse ministerie voor internationale economische betrekkingen vertelt hoe tegelijkertijd twee door verschillende programma's betaalde studies naar de luchtvervuiling in hetzelfde gebied in Noord-Hongarije gebeurden. Volgens Mayhew gebeurt het een paar keer per jaar dat een land zegt: "Daar is al lang iemand aan het werk, wat wil Phare daar dan nog doen?'

Een knelpunt is dat in de Oosteuropese hoofdsteden moeilijk te achterhalen valt wat er allemaal gebeurt. Het komt regelmatig voor dat lagere overheden rechtstreeks afspraken over Westerse hulp maken, zonder de centrale autoriteiten hiervan op de hoogte te brengen. Tegelijk zijn Westerse ambassades in Oost-Europa vaak niet op de hoogte van de verstrekte steun door allerlei op eigen houtje opererende ministeries uit de landen die zij vertegenwoordigen. Met name Duitse en Franse ambassades zijn in dit opzicht berucht om hun gebrek aan kennis.

Ook Nederlandse diplomaten overkomt het dat ambtenaren van een Nederlands ministerie, zonder dit bij hun ambassade te melden, in een Oosteuropese hoofdstad op bezoek komen om een hulpproject aan te bieden. Het ministerie van economische zaken in Den Haag coördineert wel alles wat ministeries in het kader van PSO doen, maar niet wat zij, buiten PSO om, nog uit andere potjes voor Oost-Europa financieren. Als bij een Nederlandse ambassade in Oost-Europa wordt ontdekt dat weer eens een Nederlandse ambtenaar zonder iets te zeggen ter plaatse met de autoriteiten heeft overlegd, leidt dat tot ondiplomatieke uitingen van boosheid. Hoewel geen ambtenaren van Ontwikkelingssamenwerking bij PSO zijn betrokken, maakt Van Overbeeke wel gebruik van hun ervaring met hulpprojecten. Hij wil met PSO niet opnieuw het wiel uitvinden. Voorkomen moet worden dat eerdere problemen bij Ontwikkelingssamenwerking nog eens de kop opsteken in Oost-Europa. Daarom moeten projecten volgens hem aan strenge eisen voldoen en moet worden geïnspecteerd hoe ze verlopen (met behulp van ingehuurde consultants).

Net als de EG hecht Economische zaken buitengewoon aan de onafhankelijkheid van adviesbureaus. Op praktijken zoals de Fransen die nogal eens toepassen - gratis advisering op voorwaarde dat bij de realisering van de plannen Franse produkten worden gekocht - wordt neergekeken. Maar hoe ethisch zuiver de onafhankelijke consultant ook lijkt, een praktijkman als Meyer Viol gelooft er niet in. Een adviesbureau, zo vindt hij, blijkt in zijn aanbevelingen altijd afhankelijk van de produkten waarmee het bekend is.

Agnes Nádházi van het Hongaarse ministerie voor internationale economische betrekkingen kan dat treffend illustreren. Het openbaar vervoer in Boedapest liet zich indertijd door DAF adviseren hoe het de luchtvervuiling zou kunnen verminderen. En, ondanks alle theorie over onafhankelijkheid, was het dat zelfde DAF dat vervolgens de schonere dieselmotoren voor nieuwe stadsbussen leverde.