Oorlogsmisdaden: niet snel processen

BELGRADO, 23 FEBR. De beslissing van de Veiligheidsraad een tribunaal voor de berechting van oorlogsmisdaden in het voormalige Joegoslavië in te stellen zal “op korte termijn” nog niet tot concrete processen leiden, daar de voorbereidingen voor de procesgang “nog heel wat tijd in beslag zullen nemen”.

Prof. Frits Kalshoven, de Nederlandse voorzitter van de commissie die de VN adviseert over de wenselijkheid en mogelijkheid van de berechting van oorlogsmisdaden in ex-Joegoslavië, waarschuwt tegen al te hoog gespannen verwachtingen. Onder de factoren die het begin van processen zullen vertragen noemt Kalshoven “dat voor het starten van het onderzoek een zekere mate van rust noodzakelijk is” en sommige te onderzoeken feiten hebben plaatsgehad in gebieden waar nu nog oorlog heerst.

Bovendien zal medewerking vereist zijn van de partijen in het conflict. Tot nutoe worden de informaties die de diverse partijen aan de commissie hebben verstrekt gekenmerkt door het feit dat over misdaden “door het eigen volk bedreven niets wordt gezegd”, aldus Kalshoven in een telefonisch vraaggesprek.

Verder moet nog een aantal juridische en procedurele vraagstukken worden opgelost. “Welk recht moet bijvoorbeeld worden gehanteerd: Joegoslavisch of ander recht? En welk soort straffen moeten worden opgelegd?”. Kalshoven gaat ervan uit dat de zittingen zullen plaatshebben op het territorium van het voormalige Joegoslavië. “Ik zie geen goede redenen waarom ze elders zouden moeten plaatsvinden.”

In Brussel komen donderdag vertegenwoordigers van de EG, de VS en Canada bijeen om zich over de modaliteiten van een tribunaal te beraden, aldus Kalshoven. Bij deze besprekingen zouden vooral vragen als “wie hebben er zitting in het tribunaal, welke rechtsmacht heeft het en wie moet er worden vervolgd” aan de orde komen.

Onder de vele gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties die zich de afgelopen maanden bij Kalshovens “Commissie van experts” hebben gemeld met lijsten van mogelijke strafbare feiten is ook de regering van Joegoslavië (Servië en Montenegro). De Joegoslavische onderminister van justitie Pavle Lopicic geeft een zekere “eenzijdigheid” van het onder zijn leiding door een werkgroep aangedragen materiaal toe: van de vierhonderd genoemde gevallen waren er slechts twee bedreven door Serviërs of Montenegrijnen, en deze beide zijn inmiddels al door de Joegoslavische militaire rechter afgedaan. Op diens verzoek heeft de Joegoslavische werkgroep Kalshoven onlangs nog eens duizend pagina's documentatie over militaire strafprocessen doen toekomen, aldus Lopicic.

Volgens de onderminister heeft de werkgroep zich echter beijverd materiaal te vergaren dat van nut zou kunnen zijn voor een procesgang, door zoveel mogelijk te werken met specifieke voorvallen, getuigenverklaringen en andere rapporten. Het Joegoslavische document, aldus Lopicic, vermijdt het aanwijzen van collectieve schuldigen, omdat de rechtsgang in het tribunaal van specifieke, persoonlijke verantwoordelijkheden uitgaat. “Het gaat erom de hier veelal gangbare politieke manier van denken te overwinnen.”

Het Joegoslavische rapport, meent hij, onderscheidt zich door zijn juridische karakter in gunstige zin van een soortgelijk, door de regering van Kroatië bij Kalshoven ingediend document. Om dezelfde reden is het echter scherp bekritiseerd in nationalistische media in Servië, “die ons verweten dat we niet genoeg parallellen hebben getrokken tussen het optreden van de Kroaten nu en de Kroatische misdaden in 1941”.

Aan het Joegoslavische rapport voor de Commissie van experts is medewerking verleend door het Joegoslavische ministerie van defensie, maar het militaire openbaar ministerie van Joegoslavië lijkt tot nu toe geen blijk te geven van enige bereidheid over te gaan tot onderzoek van gevallen waarin "eigen' militairen mogelijk oorlogs- of humanitair recht hebben geschonden, aldus juristen in Belgrado. Dat geldt bijvoorbeeld voor de privé-legertjes van Zeljko Raznjatovic ("Arkan') of Vojislav Seselj. Volgens deze bronnen is het militair openbaar ministerie in Belgrado daartoe, bij vermoeden van strafbaar feit, wel verplicht.

Uit andere ex-Joegoslavische republieken wordt overigens evenmin een aanzet tot strafvervolging tegen "eigen' militairen gemeld. Veel in de diverse aantijgingen genoemde vermoedens van strafbaar feit hebben niet betrekking op reguliere militairen, maar op paramilitaire eenheden of andere vrijwilligers. Volgens de juristen in Belgrado zouden deze in bijvoorbeeld het Servische geval in principe onder de competentie van de Joegoslavische militaire rechter vallen, daar de Joegoslavische wetgeving nooit het bestaan van paramilitaire eenheden gekend heeft.

Prof. Kalshoven acht het denkbaar dat bij het uitblijven van strafvervolging de militaire rechters van de verschillende partijen zélf tot voorwerp van onderzoek in het nieuwe tribunaal worden. Aan de andere kant zullen verdachten niet twee keer kunnen worden berecht. Wel kan het nieuwe tribunaal wellicht de functie van beroepsinstantie boven de lokale rechter krijgen.

Kalshoven verwacht aanzienlijke praktische problemen bij de vaststelling van individuele verantwoordelijkheden voor oorlogsmisdaden, vooral bij irreguliere eenheden als die van Seselj of Arkan. “Dan moeten er feiten op tafel komen over commando-verantwoordelijkheden, en daarover is nog maar heel weinig bekend.”

De Servische televisie heeft het besluit van de Veiligheidsraad gisteravond prominent, maar zonder commentaar gemeld. De leider van de Serviërs in Bosnië, Radovan Karadzic, liep boos weg toen een televisieploeg hem gisteren vroeg hoe hij zich voelt als iemand die door de voormalige Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Eagleburger als een mogelijke "oorlogsmisdadiger' is aangewezen. Toch leek de gelegenheid waarbij dit gebeurde - de herbegrafenis van een aantal vermoorde Serviërs bij het Bosnische Kamenica - op zichzelf een hommage aan het komende tribunaal. De moord op deze Serviërs is namelijk door Eagleburger genoemd als een oorlogsmisdaad van moslim-zijde.