Marx op z'n kop

Over het politieke integratieproces zijn vele dikke boeken geschreven. Noch de wetenschap der politicologie noch die der sociologie heeft, wat dit betreft, stilgezeten. Maar het proces der desintegratie? Bestaat daar wetenschappelijke literatuur over die haarfijn uitlegt volgens welke wetten dat verloopt? Hier moeten we eerder bij de historici te rade gaan.

Gelukkig hebben de naoorlogse politici die geijverd hebben voor de Europese integratie dat laatste niet gedaan, want dan zouden ze er waarschijnlijk nooit aan begonnen zijn. De geschiedenis levert immers niet zoveel voorbeelden van vreedzame integratie - en vreedzaamheid was een conditio sine qua non voor het experiment dat Schuman, Adenauer en de Gasperi, bezield door Jean Monnet, in het begin van de jaren vijftig begonnen: de gewelddadige integratoren Napoleon, Bismarck en Hitler inspireerden hen niet.

Zij keken dus niet naar het verleden, maar naar de toekomst, en als zij er niet van overtuigd waren geweest - althans hadden gehoopt - dat het proces dat zij aan het rollen brachten, een eigen, interne dynamiek zou ontwikkelen, die ten slotte zou leiden tot een economisch èn politiek verenigd Europa, zouden zij er evenmin aan begonnen zijn.

Intussen is het integratieproces zo lang aan de gang dat het zelf een geschiedenis heeft, en die geschiedenis toont aan dat het proces niet zo automatisch en netjes is verlopen als sommige politicologen en vele politici hadden voorspeld. Nu wordt het voor de wetenschap interessant na te gaan waarom dat zo is. Kortom, nu is het tijd voor desintegratietheorieën.

Stof voor zulke theorieën ligt voor het oprapen. Het uiteenvallen van de Joegoslavische staat is het proefgeval dat het meest voor de hand ligt, maar voor de wetenschapsman zijn de beschaafdere voorbeelden van Tsjechoslowakije en België misschien interessanter. In die landen is politicologisch en sociologisch veldwerk tenminste nog mogelijk.

De voormalige Sovjet-Unie is ook een interessant geval om integratie- en desintegratietheorieën aan te toetsen. Aan de politieke eenheid van de Sovjet-Unie kunnen wij, achteraf, twijfelen. Die blijkt minder hecht te zijn geweest dan we dachten. Maar een economnische eenheid was zij wel degelijk.

Nu zij politiek uiteengevallen is, volgt haar economische desintegratie. Een fabriek van dieselmotoren in de Oekraïne ligt stil, omdat één onderdeel uit Rusland moet komen, maar niet komt. En intussen zit een Russische fabriek van oogstmachines te wachten op dieselmotoren uit de Oekraïne. Dit voorbeeld kan met duizenden andere aangevuld worden.

Op een grotere schaal heeft Rusland plotseling en zonder overleg de prijs van zijn aardgas en olie aan de wereldprijs aangepast, dat wil zeggen: met 2500 procent verhoogd. Daarmee zijn de republieken die van de invoer van die energiedragers afhankelijk zijn, zwaar gedupeerd. Er zijn aanwijzingen dat deze maatregelen niet door economische, maar politieke motieven zijn ingegeven, zoals de wens militaire bases in de Oekraïne te krijgen.

Als die republieken geen hulp uit het Westen krijgen - en die komt niet - dan zal hun nieuwe nationalisme, dat meestal anti-Russisch is, zwaar op de proef gesteld worden. Of ze moeten het voorbeeld van Litouwen volgen, dat de ex-communist Brazauskas de overwinning bezorgde, omdat hij betere economische betrekkingen met Rusland in het vooruitzicht stelde. Dat zou dan een vorm van reïntegratie worden, maar niet op voet van gelijkheid!

Wat in Oost-Europa gebeurt, zet, om zo te zeggen, Marx op zijn kop. Het is niet de economisch onderbouw die de politieke bovenbouw bepaalt. Nee, de economische onderbouw bestaat nog, maar de politieke bovenbouw is verdwenen, en haar verdwijning tast nu ook de economische onderbouw aan. Het is dus de politiek die de onderbouw bepaalt.

Welke les kan voor West-Europa uit één en ander getrokken worden? Economische integratie is geen onomkeerbaar proces, en zeker vloeit politieke integratie er niet automatisch uit voort. Integendeel eerder: als de politieke integratie mislukt, komt ook de economische in gevaar. Daaruit kan weer de conclusie getrokken worden dat economische integratie politieke integratie als sluitstuk nodig heeft.

Over deze samenhang schrijft Max Kohnstamm in een nabeschouwing over de Europese topconferentie in Edinburgh (Europa in beweging, januari 1993). Hij stelt de vraag: “Waarom zouden vragen van vrede en veiligheid, van buitenlandse en verdedigingspolitiek, zij het dan ook geleidelijk, op een zelfde manier behandeld moeten worden” (als het economische, sociale en monetaire beleid) - dat wil zeggen: geïntegreerd worden?

Zijn antwoord op deze vraag laat hij afhangen van het antwoord op enkele andere vragen. “De eerste is of de solidariteit, noodzakelijk voor het behoud van één markt zonder grenzen, behouden kan blijven als deze gebieden (dus buitenlandse en veiligheidspolitiek) buitengesloten zijn. Een tweede: of een gemeenschappelijk Europees beleid op deze gebieden noodzakelijk is. Een derde: zo ja, is dan ad hoc coöperatie voldoende om dit te bereiken?”

Kohnstamms antwoord op de middelste vraag is ja, op de twee andere nee. Waarschijnlijk heeft hij gelijk, hoewel ik die antwoorden graag nog eens gestaafd zou zien. Maar als hij gelijk heeft, dan betekent de gewenste politieke integratie - want daar heeft hij het over - nog niet dat zij, indien bereikbaar, ook onomkeerbaar is. In Oost-Europa zien we dat dit niet het geval is.