Handel en hulp aan Oost-Europa moeten samengaan

De alarmbel die M.C. van Veen, bestuursvoorzitter van Hoogovens, vorige maand op deze pagina luidde over de bedreiging van onze basis-industrie door Oosteuropese dumping en zijn oproep tot beschermende maatregelen, heeft inmiddels geleid tot een in brede kring gevoerd dispuut tussen voor- en tegenstanders van marktbescherming. Die discussie is nu extra interessant geworden door het verwijt van de Verenigde Staten aan een aantal Westeuropese landen van dumping van staal op de Amerikaanse markt en het besluit dit tegen te gaan met importheffingen. Dit alles belooft niet veel goeds voor het nog te sluiten GATT-akkoord en maakt bovendien duidelijk dat de staalindustrie wereldwijd in een crisis verkeert. Staan we aan de vooravond van een spel voor stalen zenuwen?

Een tegenactie in EG-verband, in de vorm van tarifering of het opwerpen van importbelemmeringen, in het bijzonder ten opzichte van Oost-Europa, zonder meer, lijkt mij niet gewenst. De Nederlandse vrij-handelstraditie is een groot goed en dient zorgvuldig te worden gekoesterd. Met het pulken aan een draadje van onze handelsnatuur zou het geheel wel eens kunnen gaan rafelen. Daar komt het onomstotelijke feit bij dat verruiming van de markttoegang de beste en meest directe wijze van steunverlening is die het Westen Oost-Europa kan bieden. Het principe "trade not aid' verdient dan ook onze volledige steun.

Erkend moet niettemin worden dat de problemen ingewikkelder en breder zijn dan op het eerste gezicht lijkt. Niet alleen de staalsector, ook de chemie, textiel, landbouw en glasfabricage ondervinden in toenemende mate stevige concurrentie vanuit Oost-Europa. Veel van de bedrijven daar, en vooral die binnen de voormalige Sovjet-Unie, staan door de afgebrokkelde samenhang, de afnemende binnenlandse vraag en de prijsliberalisering op hun laatste benen en trachten te overleven. Nu is het nog mogelijk grondstoffen tegen binnenlandse valuta te kopen en bij de verkoop van het eindprodukt aan het buitenland te profiteren van het nog steeds groeiende wisselkoers-voordeel. Maar meer en meer moeten ook onderlinge aankopen worden afgerekend tegen wereldmarktprijzen en met harde valuta waardoor overschotten ontstaan. In de overlevingsstrijd doet zich een prijzenslag voor waarbij arbeidsomstandigheden, het milieu of toekomstreservering wel het laatste is waar men zich druk over maakt. Iedere dollar die wordt verdiend is meegenomen. Over een geleidelijke kannibalisatie van het eigen bedrijf kan men zich niet echt druk maken.

Binnen deze context mag je de vraag stellen of ongeclausuleerd moet worden toegestaan dat grote hoeveelheden Oosteuropese overschotvoorraden onze markten overspoelen. Het maken van afspraken tussen de EG en Oosteuropese overheden over de beperking van de export van deze voorraden vanuit Oost-Europa zie ik dan ook niet als een ondermijning van vrijhandelsprincipes, maar als een afstemming in beider belang. Ook Oost-Europa is niet gebaat bij een uitverkoop.

Binnen die afspraken hoort dan wèl het aanbieden van een concreet pakket aan hulp. Immers het opleggen van beperkingen aan Oosteuropese bedrijven, voor wat betreft hun penetratievermogen van Westeuropese markten, is alleen aanvaardbaar, als men hen helpt bij de opbouw van een produktieapparaat dat hun op termijn in staat stelt wèl produkten te fabriceren die veelsoortig en concurrerend zijn in kwaliteit, prijs en hoeveelheid. Niet "aid, then trade' zoals Hoogovens bestuursvoorzitter bepleit, maar "trade and aid'. Aan de invulling van dit adagium zouden Westerse ondernemers veel actiever moeten deelnemen door samenwerkingen aan te gaan met Oosteuropese bedrijven. Dat is ook in hun eigen belang. Want nog los van de te behalen comperatieve voordelen moet men ook niet zeuren als straks blijkt dat Oost-Europa niet heeft stil gezeten en er in slaagt een op alle fronten concurrerend produkt op de markt te brengen. De ontwikkelingen in Polen laten zien dat dat zelfs op redelijk korte termijn mogelijk is.

Het pleidooi van Van Veen geeft aan dat het schort aan een effectief en geïntegreerd Westers hulpbeleid waarbij handelsrelaties, investeringsbereidheid en maatschappelijke betrokkenheid bij de ontwikkelingen in Oost-Europa in hun samenhang worden gestimuleerd. Voor een bijdrage aan de invulling van de door hem noodzakelijk geachte politieke herbezinning, nodig ik hem en zijn collega-ondernemers van harte uit.