Grondwet is hyperactieve juridische grondslag; Grondrechten moeten ook een zaak van de rechter worden; Dat onze Nederlandse samenleving rijp is voor euthanasie, gaat te ver

Grondrechten worden steeds belangrijker in onze samenleving. Bij de toenemende individualiteit en pluriformiteit wordt een groeiend beroep gedaan op bescherming van rechten die de individualiteit waarborgen en de mogelijkheid bieden tot veelzijdige ontplooiing van iedere mens, ongeacht culturele, religieuze of maatschappelijke achtergrond.

Deze bescherming van fundamentele rechten van de mens, in onze grondwet grondrechten genoemd, moet ook een zaak van de rechter worden. Ideeën als scheiding der machten, soevereiniteit van het parlement en democratische legitimatie lijken aan belang in te boeten. De grondwet biedt de rechter immers de mogelijkheid te toetsen aan de rechtstreeks werkende bepalingen van internationale mensenrechtenverdragen. In een tijd van proliferatie van rechten van de mens lijkt een opheffing van het toetsingsverbod van parlementaire wetten aan grondrechten uit de grondwet voor de hand te liggen. Zo luidt de boodschap van P.B. Cliteur, in deze krant van 15 februari 1993.

Hoezeer ik de mening van Cliteur over de noodzaak van het opheffen van het toetsingsverbod deel, zijn conclusie dat onze grondwet in de vergetelheid zal zakken gaat mij veel te ver. Temeer daar hij dit alleen baseert op het handhaven van het toetsingsverbod aan bijvoorbeeld de grondrechten uit hoofdstuk 1 van de grondwet.

De grondwet is niet alleen het zoveelste document waarin grondrechten staan opgesomd. Een vergelijking tussen de grondwet en internationale verdragen waarin grondrechten staan opgenomen gaat weliswaar op in het "toetsingsdebat' maar doet onrecht aan het geheel eigen gezicht van de grondrechten in de grondwet en gaat voorbij aan het feit dat de grondwet een typisch Nederlands produkt is. Verdragen zijn veelmeer het resultaat van internationale politieke onderhandelingen dan dat er sprake is van een juridische weergave van wat een bepaalde groep vanuit de eigen culturele achtergrond relevant vindt.

De grondwet is derhalve niet weer een wet waarin aan allen die zich in Nederland bevinden bepaalde fundamentele rechten worden gegarandeerd. De rechter gebruikt de grondrechten bij de uitleg van andere juridische normen en begrippen. En het is dezelfde rechter die, overbelast als hij is, zich kan beroepen bij de argumentatie van zijn oordeel op de vanwege de grondrechten bestaande wetgeving op tal van terreinen.

De grondwet is de spiegel van de Nederlandse samenleving. De conclusie dat de grondwet zieltogend aan het infuus zou liggen, zou betekenen dat onze Nederlandse samenleving rijp is voor euthanasie en dat gaat mijns inziens veel te ver.

Om drie redenen zal de grondwet niet zo snel als Cliteur voorspelt verloren gaan. Allereerst is er de rijke geschiedenis die de grondwet heeft doorgemaakt voordat zij is geworden wat zij nu is. Ten tweede is de grondwet een nauwkeurige juridische weergave van het Nederlandse cultuurgoed. Ten derde is de grondwet niet alleen maar recht in de boeken, maar eveneens richtlijn voor recht in de "praktijk'.

De grondwettelijke geschiedenis in Nederland ademt de sfeer van vrijheid, gelijkheid, zekerheid en ontplooiing. Nu eens slaat de slinger door naar de vrijheid en de gelijkheid dan weer naar zekerheid en ontplooiing. De ontwikkeling van de Nederlandse samenleving kan niet eenzijdig worden gekenschetst als een hang naar vrijheid, zoals wellicht in de Verenigde Staten van Amerika veel meer het geval is geweest. Noch kan bijvoorbeeld de geschiedenis worden weergegeven in het woord zekerheid, dit zou wel kunnen worden gesteld van constitutionele ontwikkeling in bijvoorbeeld Frankrijk.

Deze vier thema's die de grondwet en met name de grondrechten kenmerken zijn van belang geweest toen ons koninkrijk zich ontworstelde aan de Napo-leontische overheersing. Zij zijn tevens uitgangspunt geweest van de eerste echte codificatie van grondrechten in de grondwet van 1815, waarin vooral op aandrang van de Belgische leden van de grondwetscommissie een aantal grondrechten werd opgenomen. Voor vele van deze grondrechten is een ingewikkelde strijd geleverd. Denken we alleen al aan het recht op onderwijs uit artikel 23. Dit recht is bij de tweede schoolstrijd zwaar bevochten toen de herziening van de Lager-Onderwijswet van 1889 voorstelde bijzondere scholen gelijk aan openbare scholen te bekostigen. Die financiële gelijkstelling werd in 1917 in de constitutie opgenomen. Daarnaast biedt de grondwet de basisregels of spelregels die noodzakelijk zijn voor het instellen en functioneren van de fundamentele instituties in de maatschappij: regering, Staten-Generaal, Raad van State, Algemene Rekenkamer, rechtspraak, provincies, gemeenten, waterschappen om er maar een paar te noemen.

Dat de grondwet een weergave is van het Nederlandse cultuurgoed en daarom geen vroege dood zal sterven, kan men afleiden uit bijvoorbeeld de codificatie van de sociale grondrechten pas in 1983. Deze rechten die in afgeslankte vorm ook voorkomen in bijvoorbeeld het Internationale Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) zijn een bewuste keuze van de Nederlandse wetgever geweest. Tot deze grondrechten in 1983 werden opgenomen in het eerste hoofdstuk van de grondwet, kon de burger zich alleen beroepen op de in internationale verdragen voorkomende sociale grondrechten.

Het is aardig zich in dezen te herinneren dat het IVESCR en de klassiekrechtelijke tegenhanger: het Internationale Verdrag inzake Burger- en Politieke Rechten (IVBPR) totstand zijn gekomen na een moeizaam proces van internationale onderhandelingen ter uitwerking van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948. Deze verklaring moest in het kader van de Verenigde Naties worden uitgewerkt in een handzaam juridisch - afdwingbaar - document. Dit nu is niet gelukt omdat de twee grote machtsblokken in die tijd, de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten van Amerika aandrongen op het opnemen van de verschillende rechten in twee verdragen. Men kon rechten die qua ideologie zoveel van elkaar verschillen als sociale grondrechten (IVESCR gesteund door de Sovjet-Unie) en vrijheidsrechten (IVBPR gesteund door de Verenigde Staten van Amerika) niet in één document verenigd krijgen.

Traditioneel werden namelijk sociale grondrechten gezien als rechten die een vertrouwen stelden in de overheidsmacht en waren opgesteld ter beteugeling van de particuliere macht. Het zijn rechten die zich tot de wetgever richten met de opdracht om regels te stellen dan wel rechten die zich richten tot de overheid als geheel om ergens zorg voor te dragen.

Vrijheidsrechten echter geven een wantrouwen in de overheidsmacht weer en worden traditioneel gezien als rechten die de individuele vrijheidssfeer waarborgen tegen de inmenging van derden.

Dat in de Nederlandse grondwet beide rechten in één hoofdstuk gelijkelijk voorkomen zegt mijns inziens iets over het Nederlandse legislatieve cultuurgoed. Kennelijk is onze samenleving zo dynamisch, tolerant en pluriform dat rechten van zo'n verschillend karakter die een verschillend verwachtingspatroon scheppen van de overheid en wetgever in één hoofdstuk van de grondwet kunnen worden opgenomen. Een samenleving waarin een dergelijke wetgevingsoperatie anno de jaren tachtig gestalte werd gegeven, heeft een levende grondwet en niet een grondwet die op sterven na dood is.

De derde reden is misschien wel het beste argument niet mee te gaan in het doemdenken over het (voort)bestaan van de grondwet. Grondrechten geven de wetgever en de rechter richtlijnen voor respectievelijk regelgeving en rechterlijke beslissingen.

Alweer de sociale grondrechten als voorbeeld. Deze rechten worden ook wel beginsel- of doelbepalingen, instructienormen of programmatische rechten genoemd. Dat wil in het kort zeggen dat de inhoud van deze rechten moeten worden gerealiseerd door gericht overheidsbeleid of wetgeving. Sociale grondrechten zijn minimale uitgangspunten die door regering en Staten-Generaal zoveel mogelijk met de aan hen ter beschikking staande middelen moeten worden gerealiseerd. Bovendien zijn deze uitgangspunten juist nu zo belangrijk dat het nooit alleen maar "recht in de boeken' zou kunnen zijn. We spreken hier over werkgelegenheid (art. 19), rechtsposities (art. 19), sociale zekerheid (art. 20), milieubescherming (art. 21, volksgezondheid (art. 22), woongelegenheid (art. 22), maatschappelijke en culturele ontplooiing (art. 22) enzovoorts. Dit zijn allemaal items die hoog op de politieke agenda staan.

Het zou gek zijn te veronderstellen dat de wetgever die zichzelf normen op deze terreinen heeft opgelegd in 1983, nu wegens het ontbreken van het toetsingsrecht van de rechter, deze normen tot slechts mooie uitgangspunten op papier zou maken. De wetgever noch de overheid zal de grondwet zien als dode letter. Zijn niet in de afgelopen tijd de grondrechten van de eerbieding en bescherming van de persoonlijke levenssfeer (art. 10) en de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam (art. 11) de basis geweest voor de parlementaire behandeling van het euthanasie-vraagstuk? Zijn niet de grondrechten van het discriminatieverbod (art. 1) en de vrijheid van onderwijs (art. 23) uitgangspunten geweest in het debat over de gelijke behandelingswetgeving? Zijn niet de grondrechten van de bevordering van voldoende werkgelegenheid (art. 19) en de bestaanszekerheid der bevolking (art. 20) voortdurend richtlijnen voor de minister van economische zaken geweest bij de onderhandelingen over het voortbestaan van industrieën als DAF en Fokker?

De geschiedenis, het Nederlandse cultuurgoed en recente voorbeelden van een beroep op de grondrechten maken de grondwet levendiger dan ooit. We hebben niet te maken met een bijna stervende of zieke grondwet maar met een hyperactieve, met de tijd ontwikkelde juridische basis voor onze samenleving.