Gehandicaptenzorg past in gemeentebeleid; Strijd om zorg gehandicapten krijgt meer perspectie; Gemeenten tevreden met financiering en overheveling van zorg

DEN HAAG, 23 FEBR. Zorg op maat en één loket voor de gehandicapte, ook als hij ouder is dan 65 jaar, met een betere beheersing van de kosten. Dat beoogt de Wet Voorzieningen Gehandicapten die de Tweede Kamer binnenkort behandelt.

Voor gehandicapten zijn er nu verscheidene loketten. Wie een rolstoel nodig heeft, moet een beroep doen op de bedrijfsvereniging die geld verstrekt uit het fonds van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Wordt of is de gehandicapte ouder dan 65 dan moet hij voor een rolstoel naar de Gemeentelijke Sociale Dienst die de Algemene Bijstandswet uitvoert. Verblijft hij in een verzorgingstehuis dan dient men voor de rolstoel via ziekenfonds of particuliere verzekeraar aan te kloppen bij de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Drie loketten voor een rolstoel.

In de nieuwe opzet is er voor die rolstoel nog maar één loket: de gemeente. De 640 Nederlandse gemeenten moeten ook gaan beslissen over de vergoeding van taxikosten, over de aanpassing van woningen en over andere voorzieningen.

Dat zit de bedrijfsverenigingen flink dwars. Werkgeversvoorzitter J.P. de Blaauw van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, die samen met de bedrijfsvereniging Detam (midden- en kleinbedrijf) het gros van de AAW-voorzieningen verstrekt, legt een waslijst van bezwaren op tafel. “Er komen niet minder, maar meer loketten, en de uitvoeringskosten gaan alleen maar omhoog”, waarschuwt hij. En: “De rechtsongelijkheid zal toenemen. Want het geld wordt over de gemeenten verdeeld naar rato van het aantal inwoners, terwijl je in sommige gemeenten nu eenmaal veel meer gehandicapten hebt dan in andere.”

Natuurlijk strijden de bedrijfsverenigingen ook voor hun eigen belang: zij - en de Gemeenschappelijke Medische Dienst die de bedrijfsverenigingen tot dusver adviseert - worden min of meer "uitgekleed'. Hun taak bij de verstrekking van voorzieningen aan gehandicapten verschraalt tot een minimum. In 1992 was met de AAW-voorzieningen nog 955 miljoen gulden gemoeid; straks nog maar twintig miljoen. Er staan bij de bedrijfsverenigingen 1.400 mensjaren werk op het spel.

Bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wrijft men zich daarentegen vergenoegd in de handen. Dank zij de voorzieningen aan gehandicapten krijgen de gemeenten, via het gemeentefonds, straks jaarlijks ruim één miljard gulden extra van het Rijk. In principe moet dat geld worden gebruikt waarvoor het is bedoeld, maar de gemeenten krijgen de nodige vrijheid. Het mag zo nodig ook aan fietspaden of een nieuw stadhuis worden besteed. Toch maken tal van individuele gemeenten - de kleine in het bijzonder - zich zorgen: hebben zij hun uitvoeringsorganisatie op 1 januari 1994 wel rond? De VNG werkt bovendien aan een "modelverordening', om de verschillen tussen de gemeenten binnen de perken te houden, maar die is nog altijd niet gereed.

Beleidsmedewerker B. Zwier van de VNG noemt als groot voordeel van de overheveling naar de gemeenten dat zij bekend zijn met de lokale situatie. Hij noemt als voorbeeld het aanpassen van woningen (drempels, verlaagde WC-potten, deuren, trappen), die tot dusver door het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer worden gesubsidieerd.

Zwier: “Wat je nu ziet is dat een aanpassing, die tienduizenden guldens heeft gekost, weer wordt gesloopt als de gehandicapte overlijdt. Dat kost echt handenvol geld, de kosten zijn tussen 1986 en 1990 opgelopen van 80 tot 220 miljoen gulden! Een gemeente kan ervoor zorgen dat er weer een gehandicapte komt te wonen, zo druk je de kosten.”

Zwier noemt een tweede voorbeeld. “Neem de taxiritten die tot dusver via de AAW en de bedrijfsverenigingen worden vergoed. De kosten bedragen jaarlijks honderden miljoenen guldens. Die kosten kun je wellicht terugdringen door per gemeente, of groepen van gemeenten, busjes te laten rijden, of speciale taxi's zoals er ook treintaxi's zijn.”

Volgens de VNG sluiten de voorzieningen voor gehandicapten naadloos aan bij het beleid dat de gemeenten al voeren. Zwier: “Bejaarden blijven steeds langer thuis. Gemeenten willen hen daarin steunen, dat drukt de kosten van de bejaarden- en de verzorgingstehuizen. Je kan mensen langer thuis laten wonen door woonvoorzieningen te subsidiëren en door vervoerskosten te vergoeden.”

Inmiddels is de politiek al bijna twee jaar met de gehandicapten in de weer. Het begon op 6 mei 1991 toen de staatssecretarissen Ter Veld (sociale zaken), Heerma (volkshuisvesting) en Simons (volksgezondheid) een brief naar de Tweede Kamer stuurden. Ze stelden voor 65-plussers onder de AAW-verzekering te brengen. Zonder nader ingrijpen zouden de kosten van de AAW-voorzieningen daardoor echter oplopen van 955 miljoen tot 2.160 miljoen gulden (prijzen 1992).

Maar de wet bood uitkomst. Deels doordat 65-plussers ook tot dusver reeds een aantal voorzieningen uit de AWBZ vergoed krijgen, en deels doordat de AWBZ stringentere voorwaarden stelt dan de AAW. Zo ligt in de AWBZ de nadruk op bijzondere diëten en niet, zoals in de AAW, op het compenseren van extra kosten als gevolg van een dieet. Het kabinet schat de dieetkosten voor de AWBZ daarom niet op honderd miljoen maar slechts op twintig mijoen gulden.

Alles bij elkaar wordt op die manier 550 miljoen gulden bezuinigd. Maar dat is nog niet genoeg. Het Rijk wil de vervoerskosten (vooral taxikosten) per gehandicapte halveren. Dat gebeurt in drie stappen: op 1 oktober 1992, 1 april 1993 en 1 oktober 1993 volgt een beperking met tien procent, terwijl de gemeenten, na de overheveling op 1 januari 1994, de resterende twintig procent moeten bezuinigen. Hoe ze dat doen - door eigen bijdragen, door lagere vergoedingen voor vervoerskosten, door inkomensafhankelijke vergoedingen - is een zaak van de gemeente zelf.

Het wetsvoorstel is inmiddels bedolven onder een vloed van kritische, of zelfs ronduit negatieve commentaren. De Federatie van Bedrijfsverenigingen zette al op 24 september 1991 de voet dwars, de Sociale Verzekeringsraad volgde in december 1991.

Buitengewoon kritisch was ook de Raad van State, die in de zomer van 1992 oordeelde dat 65-plussers straks AAW-premie gaan betalen maar daar niets voor terugkrijgen: ze hebben geen recht op een AAW-uitkering en de AAW-voorzieningen zijn bijna allemaal overgeheveld. Het kabinet besloot daarop 65-plussers te vrijwaren van AAW-premiebetaling, in ruil daarvoor moeten ze volgend jaar premie betalen voor de Algemene Weduwen- en wezenwet (AWW), of als het zo ver komt, de Algemene Nabestaandenwet.

Voorzitter A. Vriethoff van de Gehandicaptenraad toont zich ingenomen met de kritiek. Hij vreest de bezuinigingen op de woningaanpassingen en de voorgenomen halvering van de kilometervergoedingen. Vriethoff verzet zich tegen de aanpak van het kabinet, dat de 65-plussers wil laten profiteren van voorzieningen zonder dat dat extra geld mag kosten.

Inmiddels krijgt de strijd om de gehandicapten, als gevolg van de parlementaire enquête naar de uitvoering van de sociale zekerheid, nog meer perspectief. Waarom kiest het CDA, vanouds de pleitbezorger bij uitstek van het "maatschappelijk middenveld', nu tegen de bedrijfsverenigingen en voor de overheid, in casu de gemeenten? CDA-Tweede-Kamer-woordvoerder K. Tuinstra geeft het antwoord: “De meeste voorzieningen die nu door de AAW worden betaald zijn leefvoorzieningen, die hebben met werk niets te maken. Die horen bij de gemeenten thuis.”