Er is haast bij Europese openbaarheid

De Tweede-Kamerleden E. Jurgens en G. Valk hielden op de opiniepagina van NRC Handelsblad van 29 januari een pleidooi voor een Europese Wet Openbaarheid Bestuur (WOB). De minister van buitenlandse zaken Kooijmans, vinden zij in ieder geval aan hun zijde, blijkens een klein bericht op de voorpagina van de Staatscourant van diezelfde dag. Kooijmans verwacht meer van een Europese WOB voor de Europese burger, dan van een goed geregisseerde televisie-uitzending van de Europese ministerraad, zoals dat op 1 februari jongstleden gebeurde.

Het is merkwaardig dat Jurgens en Valk aan het einde van hun artikel een slimmigheid voorstellen om - althans voor het Nederlandse grondgebied - door een uitspraak van de Raad van State de Nederlandse WOB van toepassing te verklaren voor besluiten van de Europese ministerraad. Zij kunnen zelf ook bedenken, dat de Europese ministerraad het Europese Hof zal inschakelen om de onrechtmatigheid van het Nederlandse besluit vast te stellen. Het druist immers in tegen de in de praktijk toegepaste regel, dat openbaarmaking van interne documenten van een internationale organisatie valt onder de competitie van de organisatie zelf. Het is beter energie te steken in de voorbereiding van een Europese WOB, want dat zal op zichzelf een hels karwei zijn.

Een korte tour d'horizon langs de EG-lidstaten stemt tot bezorgdheid. Wie zoals Jurgens en Valk het democratische gehalte meet aan de mate van openbaarheid van overheidshandelen, moet constateren dat het daarmee in de EG niet rooskleurig is gesteld. In veel landen bestaat geen WOB en de daarmee verwante regeling voor de openstelling van archieven stemt ook niet steeds vrolijk. Het Griekse voorbeeld van openstelling van overheidsarchieven na honderd jaar is natuurlijk geen maatstaf. In de drie grote landen die toonaangevend zijn voor het EG-beleid neemt openbaarheid een ondergeschikte plaats in de bestuurstraditie in. Het meest pregnante voorbeeld is Groot-Brittannië. Dat heeft weliswaar een archiefwet die openbaarmaking na dertig jaar als regel stelt, maar de vereiste overdracht naar het Public Record Office kan met een beroep op de Official Secrets Act worden verhinderd,een mogelijkheid waarvan op ruime schaal gebruik wordt gemaakt. En werd in Groot-Brittannië ook niet enkele jaren geleden een ambtenaar veroordeeld, omdat hij stukken had laten uitlekken waaruit bleek, dat de regering onjuiste informatie had gegeven?

Moeten we dan het hoofd in de schoot leggen en ervan uitgaan, dat het nog lang zal duren totdat het Europese bestuur echt democratisch en dus openbaar zal zijn? Zeker niet, maar het is wel van belang de meest pragmatische weg te kiezen. Die loopt niet via slimmigheden van solistisch Nederlands optreden, want dat staat niet ver af van geforceerde toepassing van het subsidiariteitsbeginsel. Het is een onmiskenbare realiteit dat in de EG een grote kloof gaapt tussen landen die ervaring hebben opgedaan met openbaarheid van bestuur en landen waar de overheid bepaalt wat het publiek mag weten. Om een Europese WOB tot stand te brengen is het nodig de psychologische barrière tussen de beide groepen te slechten. Nederland kan samen met andere landen die een WOB hebben, aan de rest duidelijk maken dat het in eigen land die barrière ook heeft genomen en dat dit niet tot ondermijning van het besluitvormingsproces heeft geleid.

Vervolgens is het ook wenselijk in Europese context ervaring op te doen met openbaarheid van bestuur. Waarom niet beginnen met een Europese WOB op bescheiden schaal? Voorbereiding daarvan zal veel tijd vergen in het Comité van Permanente Vertegenwoordigers en de ministerraad. Intussen kan men een aantal andere zaken ter hand nemen. Allereerst zou Brussel de eigen archieven daadwerkelijke moeten openstellen, dat willen zeggen die van de EGKS, Euratom, de EEG, de Europese Rekenkamer en het Europese Hof. Er bestaat een regeling die openstelling na dertig jaar voorschrijft, maar in de praktijk blijkt daaraan niet steeds te worden voldaan, omdat onwillige en onwetende bureaucraten in Brussel nog steeds geloven dat koud water brandgevaarlijk is. Pleiten voor een reductie van de openstellingstermijn tot vijfentwintig of twintig jaar is pas zinvol, wanneer een regeling tot stand is gekomen over welke archivalia wel en welke niet na die termijn openbaar worden. Als men dat nalaat is het waarschijnlijk, dat de toepassing van het EG-archiefbesluit vervalt tot de dubieuze standing van de Britse archiefpraktijk en daar schieten onderzoekers noch Europese burgers iets mee op.

In deze kwestie dient Nederland te pleiten voor een ruimhartiger naleving in de geest van openbaarheid. Voorts kan in een goed gecoördineerde actie van Tweede Kamer en regering een gefaseerd plan voor meer openbaarheid over de Brusselse besluitvorming worden uitgewerkt: ad hoc besluiten over openbaarmaking van documenten en notulen van vergaderingen over niet al te gevoelige onderwerpen kunnen onderdeel daarvan zijn.

Naast deze voorzichtige gewenning voor Europese besluitvormers kunnen de nationale parlementen hun regeringen onder druk zetten om in de Europese ministerraad vergroting van de openbaarheid continu aan de orde te stellen. In de argumentatie zal waarschijnlijk een verwijzing naar kandidaat-lid Zweden met een eeuwenlange traditie van openbaarheid van bestuur doeltreffend zijn. Een voorproefje heeft men daarvan in Brussel vorige week meegemaakt. De Zweedse regering heeft bij de schriftelijke voorbereiding van de toetredingsonderhandelingen de openbaarheid aan de orde gesteld met een lange lijst vragen. Het antwoord uit Brussel is door Stockholm gewoontegetrouw aan journalisten ter hand gesteld. Is Zweden eenmaal lid, dan zal de Brusselse geheimhoudingspraktijk niet overeind kunnen blijven. Voldoende reden om nu met spoed een Europese WOB te ontwerpen. Het moet de minder op openbaarheid gestelde besluitvormers toch wat waard zijn, dat het Zweedse model - althans voorlopig - niet het Europese wordt.