Einde adviesorganen is einde van inspraak

De commissie uit de Tweede Kamer, die tot het afschaffen van de bestaande adviesorganen adviseert, wil in plaats daarvan "Raad op maat', zoals de titel van haar rapport luidt. Voortaan zal per departement moeten worden volstaan met één adviesorgaan en verder stellen de Kamerleden voor dat de door de ministers te benoemen adviesraden moeten bestaan uit een beperkt aantal generalistische, onafhankelijke deskundigen.

Deze generalistische deskundigheid lijkt in onze verwetenschappelijkte samenleving erg mooi, maar is voor een groot deel een illusie. Bovendien gaat het bij een advies van een adviesorgaan in de eerste plaats om een sein uit de samenleving dat mede met deskundige hulp vorm krijgt.

Allerlei overwegingen van politieke en levensbeschouwelijke aard spelen hier tevens een rol, evenals inzichten over maatschappelijke behoeften en tekortkomingen. Het gaat hier niet om interessante meningen of het vastleggen van een oordeel over maatschappelijke ontwikkelingen, maar om signalen uit de samenleving die de politiek een handje moeten helpen haar richting te vinden in overeenstemming daarmee, of juist er tegenin.

Dan is er het punt van de onafhankelijkheid van de gewenste deskundigen. De commissie wil af van twee dingen. Allereerst van de vele verplichtingen, door de wet opgelegd, om advies te vragen. Dit is dus het afschaffen van de mogelijkheid van inspraak. Voorts moet worden afgerekend met de afhankelijke deskundigen, dat wil zeggen met hen die een belangengroep vertegenwoordigen en voor de belangen daarvan opkomen. Alleen de stem van de onafhankelijke deskundigen mag nog worden gehoord.

Voor het overige wordt de samenleving de mond gesnoerd. Waarom? Omdat er volgens de voorzitter van de Tweede-Kamercommissie, De Jong, een te grote verwevenheid is ontstaan tussen maatschappelijke organisaties en de overheid. De verwevenheid is er. Die resulteerde in de verzorgingsstaat en er valt over te praten of het daar met de "staat', de overheidsinvloed, niet wat minder kan. Maar of dit te bereiken valt door de invloed van de burgers, "het veld', met zijn wirwar van burger-organisaties, op het beleid in te tomen? Het lijkt voorlopig toch nog maar beter dat de burgers, dat heel dat gecompliceerde veld in zoveel mogelijk schakeringen, adviserend betrokken blijft bij de ontwikkeling en de uitvoering van het overheidsbeleid. Dat lijkt meer in overeenstemming met de hedendaagse eisen van de democratie dan dat de politici zelf het wel onder elkaar zullen uitmaken, met een zo klein mogelijke denk-tank, op elitair maatwerk uitverkoren naast zich.

Naast die deskundigen dienen ook de georganiseerde belanghebbenden, via hùn deskundigen, mede in het advieswerk aan de beleidsmakers te worden betrokken, domweg omdat zonder hen de maatschappij in al haar gecompliceerdheid niet volledig zou zijn vertegenwoordigd. En dat is nodig om een zo groot mogelijke invloed op dat beleid te kunnen uitoefenen. De Kamercommissie is van oordeel dat er vooral geen nieuw circuit mag ontstaan. Dat hoeft ook niet, het is er al. Dat zijn wij, de totaliteit van de al dan niet georganiseerde burgers, de boeren, burgers en buitenlui die met onze diverse organisaties kritisch de politici wensen te volgen en die ook òns stempel op het overheidsbeleid gedrukt wensen te zien. Want wij zijn het tenslotte die door dit beleid worden geraakt.