"Eerlijk leven in Iran bijna onmogelijk'

TEHERAN, FEBR. “Wat hebben in Iran de mustazafin, de verdrukten op aarde, bij de Islamitische Revolutie gewonnen?”

Hussein Ali Khamsaï denkt ingespannen na. Dan glimlacht hij - bedaard en ingetogen, zoals een gelovig moslim betaamt - en zegt: “Als U het zó stelt, niet veel; er is voor hen niet zoveel veranderd. Maar misschien moet U het niet op die manier stellen. Want was de Revolutie bedoeld om er rijker van te worden of om God te dienen? Ik weet dat jullie in het Westen het gek vonden dat imam Khomeiny economie een zaak noemde die alleen ezels van belang achten. Misschien is zo'n uitspraak voor een niet-moslim niet te begrijpen. Zelfs voor mij was dat moeilijk, terwijl hij toch mijn marjae-taghleed (religieus leider en voorbeeld om na te volgen) was. Als ik eerlijk met mezelf ben, heb ik er nog steeds moeite mee. Want heel vaak sta ik voor de keus de weg van Allah of de weg van het geld op te gaan.”

Hij glimlacht opnieuw als hij mijn onbegrip gewaar wordt. “U wilt weten waarom de weg van het geld niet gelijk opgaat met die van Allah? Omdat het tegenwoordig in ons land haast onmogelijk is op eerlijke wijze een normaal leven te leiden - om niet met geweld, bedrog of diefstal aan voldoende geld te komen. Bijna dagelijks word ik heen en weer geslingerd door die keuze. Mijn vrouw zegt dat ik mijn huidige beroep van ambtenaar moet opgeven en in zaken moet gaan - zoals mijn broer, die veel verdient. Elke dag zeurt zij dat zij allerlei elektrische apparatuur voor het huishouden wil hebben, dat zij een eigen, groter huis wil, een auto, dure kleding, tapijten en een video. Mijn vrouw kan niet goed lezen of schrijven, maar ze weet precies wat zij wil, ook al is zij pas 21 jaar. Mijn zus en schoonzus, die hier ook wonen, zijn trouwens net zo.”

Hussein Ali Khamseï, die zelf 32 is, komt uit een traditionele lagere middenklassefamilie. Hij legt uit dat zijn vrouw, zoals de traditie het voorschrijft, tevens zijn nicht is. “Het is goed dat er zo'n leeftijdsverschil tussen ons bestaat, want - ik hoop niet dat u mij kwalijk neemt wat ik nu zeg - vrouwen verouderen sneller en worden eerder lelijk dan mannen.”

Zij leven in het arme zuiden van Teheran waar zijn vader, die beneden woont, vóór de Revolutie een simpel huis kon kopen. Dat zou, gezien de magere inkomsten van de familie en de dagelijks stijgende prijzen, nu volstrekt onmogelijk zijn. Een gemiddeld salaris bedraagt tussen de twee- en driehonderdduizend rial per maand, bijna evenveel als de huur van een tweekamerwoning. De vader van Hussein Ali krijgt als gepensioneerd ambtenaar 60.000 rial per maand (78 gulden), maar gelukkig heeft hij nog een winkeltje zodat de familie niet van honger hoeft om te komen.

Op de eerste etage is de krappe tweekamerwoning van Hussein Ali gestoffeerd met wat goedkope vloerkleden, maar ook - zeer ontraditioneel Iraans - met een zitbank en twee fauteuils. Bij zijn ouders beneden liggen alleen wat kleden en matrassen.

Pag 4: Iran moet kiezen tussen Allah en het geld

Terwijl wij praten, overlaadt zijn vrouw de gasten met thee, zoetigheden en fruit. Hun dochtertje - “Ons enig kind. Zo moet het ook blijven, want voor meer kinderen kan en wil ik niet zorgen” - kijkt naar een tekenfilm op de tv, die keihard aanstaat.

Er is iets vreemds - zowel met Hussein Ali als zijn vrouw. Hij is bijna altijd glad geschoren. En zij droeg bij binnenkomst van de gasten een licht-beige chador met zwarte bloemetjes (een chador is een lange, meestal zwarte doek, die de vrouwen van top tot teen verhult), maar na een half uur legt zij haar chador af, zodat wij haar zware, blote armen tot aan de ellebogen kunnen zien. In de Islamitische Republiek Iran mogen welopgevoede moslim-vrouwen aan buitenstaanders (inclusief hun zwagers) slechts hun voorhoofd, ogen, wangen, neus, mond en kin in onbedekte staat tonen.

Hij glimlacht wederom bij de vraag waarom hij zich, als goede moslim, zo nauwgezet scheert. “Ik heb twee jaar lessen gevolgd in de islam, lang nagedacht, en ik ben tot de conclusie gekomen dat je door het laten staan van je baard niet noodzakelijkerwijs een betere moslim wordt. De islam zegt dat scheren op den duur heel slecht is voor je huid. Maar ik ben nog jong en dus merk ik het nog niet.”

Hussein Ali herinnert zich als de dag van gisteren de strijd en de overwinningen van de Islamitische Revolutie - met als hoogtepunt de terugkeer van imam Khomeiny naar Iran op 1 februari 1979. Dat kan ook niet anders, want de Iraanse televisie zendt nu al veertien jaar - avond aan avond - dezelfde beelden uit van die emotionele hoogtijdagen. Hussein Ali weet dan ook nog precies hoe opgewonden iedereen toen was. Maar hij is vergeten wat de verwachtingen van die dagen waren. “Ik denk dat wij dat zelf niet zo goed wisten. Het enige dat wij verwachtten was dat er een heleboel dingen ten goede zouden veranderen - maar wàt precies, dat wisten we niet. En inderdaad is het leven op sociaal en cultureel gebied beter geworden. Want onder de sjah was het vrouwen in de overheidsgebouwen verboden om de chador te dragen, terwijl nu de hejab overal verplicht is (de islamitische kleding die, behalve het hoofdhaar en het hoofd, alle lichaamsdelen en -vormen van de vrouw verhult). Dat is een grote vooruitgang, waarvoor wij dankbaar kunnen zijn.”

Hussein Ali noemt zichzelf hezbollahi (lid van de Partij van God). “Maar erg actief ben ik niet. We houden ons thuis ook niet zo strikt aan alle regels. Je moet zelf nadenken wat goed en niet goed is.”

We rijden rond door Zuid-Teheran. Dat kilometers uitgestrekte, verkommerde deel van de hoofdstad is - wat de kritiek van velen op de overheid ook moge zijn - de afgelopen jaren sterk in zijn voordeel veranderd. De krotten van eertijds, stammend uit de sjah-tijd en gemaakt van opeengestapelde conservenblikjes, stukken hout, plastic en leem, zijn verdwenen. In hun plaats is veel nieuwbouw verschenen, waarin opeengepakt de miljoenen mensen leven die van het platteland naar de grote stad zijn geëmigreerd. Maar hun woningen lekken althans niet meer. De door president Rafsanjani aangestelde, zeer actieve burgemeester heeft op elk plekje dat hij maar kon bemachtigen parkjes, kinderspeelplaatsen en mini-sportveldjes opgezet. De winkels zijn simpel, maar zeker niet armoedig.

Toch is Hussein Ali niet helemaal tevreden, als ik mijn lofprijzingen niet spaar. “De mensen zijn erg boos over alle luxe in de winkels, die zij wèl kunnen bekijken, maar niet kunnen betalen omdat de prijzen veel te hoog zijn. Maar ik heb vertrouwen in de regering. Die heeft ons beloofd dat er over ongeveer twee jaar gelijkheid tussen alle mensen zal zijn.”

Ook dat zegt hij weer met een glimlach, zodat het onduidelijk blijft of hij spot. Want even later komt hij op ons uitgangspunt terug. “Ik word steeds meer heen en weer geslingerd tussen hart en hoofd, tussen Allah en het geld. Het liefst deed ik alle twee: mijn geld op eerlijke wijze verdienen en een goed religieus leven leiden.”

Zijn 29-jarige vriend Mehdi, die de auto bestuurt, houdt zich Oostindisch doof en zegt niets. Maar als Hussein Ali zich even verwijdert barst hij ongevraagd los: “Iran is heel goed, het beste land ter wereld. Maar de islam is heel slecht.” Is hij dan geen moslim? “Natuurlijk wel”, lacht hij hartelijk. “Maar in sommige landen en in sommige tijden is de islam slecht voor moslims.” Dan zwijgt hij weer, als Hussein Ali, ons beider vriend, terugkomt.

Er zijn in Iran miljoenen mensen als Hussein Ali Khamseï. Zij staan bepaald niet alleen in hun gewetensverwarring. De bestuurders van hun land - en met name de technocraten met wie president Rafsanjani zich ten dele heeft omringd - hebben er net zoveel last van. Ook zij moeten kiezen tussen het door de kapitalisten en de imperialisten beheerste geld en de door Allah voorgeschreven koers. Ook zij willen liever niet afwijken van de weg van Allah, de weg van de Islamitische Revolutie, die - zoals imam Khomeiny heeft aangegeven - een nimmer eindigende oorlog voert tegen de Machten van de Arrogantie. Ook in hùn midden zijn er - precies als in de familie van Hussein Ali Khamseï - lieden die de moraal opzij willen zetten ten behoeve van materieel gewin, zij die opnieuw Iran voor de duivelse invloeden van Amerika en zijn bondgenoten willen openen, in de hoop daarmee kredieten, investeringen en kennisoverdracht te verwerven.

Maar de Gids van de Natie en van de Revolutie, ayatollah Ali Khamenei, zorgt er angstvallig voor dat Iran niet van het juiste pad afwijkt, dat de Islamitische Republiek voortrekker en centrum blijft van de hele islamitische wereld. In naam van God en met steun van de ulama (de geestelijkheid) waakt ayatollah Khamenei - Rakhbar, de Leider, zoals hij kortweg wordt genoemd - ervoor dat Iran niet de Weg van het Bederf opgaat. Ook hij is van mening dat handel en contacten met het Westen van nut kunnen zijn voor de Islamitische Republiek, mits dat maar niet ten koste gaat van de idealen van de Islamitische Revolutie. Dan zou de prijs te hoog worden. Dan zou niet alleen God tegen geld worden ingewisseld, maar ook de Islamitische Republiek haar moeizaam gewonnen onafhankelijkheid weer kunnen verliezen.

Daarom verwachten velen binnenkort een nieuwe culturele revolutie in Iran om de Islamitische Revolutie tegen het traag werkende, maar dodelijke gif van haar vijanden te beschermen. Zij denken dat de Leider - met dàt doel voor ogen - vorige week opnieuw Khomeiny's doodvonnis over Rushdie met zo veel nadruk bekrachtigde. Een uitspraak waarmee alle Hussein Ali Khamsaï's het - voorlopig - gloeiend eens zijn.