Aanslag op de nationale eerbaarheid

Als er iets is dat kan gelden als een betrouwbare indicator van de Slowaakse economie, dan is het wel dat vier leden van een zeven man sterke delegatie van het Internationaal Monetair fonds (IMF) zaterdag hun bezoek aan de Slowaakse hoofdstad plotseling afbraken en, zonder een officiële verklaring af te geven, afreisden. Vorige week maandag was de delegatie begonnen met onderhandelingen over de voorwaarden van een lening van honderd miljoen dollar aan Slowakije, maar kennelijk is men het niet eens geworden over de eisen van het IMF. Een van die eisen is dat de Slowaakse kroon devalueert.

En dát is nu juist wat de IMF-vertegenwoordigers niet hadden moeten zeggen. Want al geruime tijd vóór de monetaire splitsing tussen Tsjechië en Slowakije, op 8 februari, was in Bratislava van de daken verkondigd dat er van een devaluatie van de Slowaakse kroon geen sprake zou zijn. Sterker nog, kort ervoor verklaarde de vice-gouverneur van de Slowaakse Nationale bank, Marián Tkác, zelfs dat de Slowaakse kroon mogelijk zou worden gerevalueerd, dat wil zeggen meer waard zou worden dan de Tsjechische.

Hij werd daarvoor weliswaar gekapitteld door de Slowaakse premier, Vladimr Meciar, die zei dat de Slowaakse kroon dezelfde waarde als de Tsjechische zou behouden, maar het kwaad was al geschied: men kon zich in financiële kringen niet aan de indruk onttrekken dat hier sprake was van een typisch geval van Slowaakse hoogmoedswaanzin.

Een voorstel tot devaluatie staat in Slowakije gelijk aan een aanslag op de monetaire maagdelijkheid. De nieuwe nationale munt is heilig en iedereen die suggereert dat het op grond van de economische krachtverhoudingen tussen Tsjechië en Slowakije wellicht dienstig zou zijn voor de Slowaken om hun munt goedkoper te maken, wordt gezien als schenner van de nationale eerbaarheid. Gisteren nog legde premier Meciar, nadat hij een gesprek had gevoerd met zijn Tsjechische collega Klaus uit dat er geen enkele reden was om de munt te devalueren.

Wél stelde hij tijdens een gezamenlijke persconferentie dat er mogelijk beperkingen komen op de import. De premier voerde aan dat de valutareserves van Slowakije slinken en dat er “produkten in het buitenland worden gekocht terwijl we hier al goede hebben”. Hoe groot de reserves aan harde valuta zijn is onbekend: de Slowaakse nationale bank geeft daarover sinds vorige week geen informatie meer. Evenmin wordt bekendgemaakt hoeveel de inzameling van goud, juwelen en deviezen, onder Slowaken in en buiten Slowakije, de schatkist heeft opgeleverd. Maar de toespelingen op importbeperking maken duidelijk dat de bodem zichtbaar wordt.

Devalueren of niet, dat is nu de grote vraag. Slowaakse bankiers en politici zeggen dat er geen haast bij is, maar externe specialisten denken dat het onvermijdelijk is en dat het beter is om het dan maar zo snel mogelijk te doen. De psychologische barrière is echter zo hoog geworden dat de beslissing om te devalueren steeds pijnlijker wordt.

De econoom Jozef Filkus, vooraanstaand lid van de regeringspartij HZDS, maar in bitter conflict verwikkeld met premier Meciar: “De Slowaakse economie heeft bepaalde handicaps. Ze is minder expansief in de export omdat die altijd was georiënteerd op het oosten en die markt is gedeeltelijk ingestort. Van de export gaat dertig procent naar Tsjechië, terwijl van de Tsjechen niet meer dan vijftien procent naar Slowakije gaat. Daardoor staat de handels- en betalingsbalans van Slowakije veel meer onder druk. Dat zou kunnen leiden tot een enorme daling van de deviezenreserves, waardoor we onze schulden aan de Tsjechische partner niet op tijd zouden kunnen betalen. Het monetaire akkoord voorziet wel in betaling via een "clearingsysteem', maar zodra een bepaald maximum zou worden overschreden kan dat leiden tot een verschil in koers.” Volgens Filkus zal het nog zeker enkele weken duren voor het resultaat van de clearingverhouding bekend is. “Pas dan kunnen we zeggen wat we gaan doen met de koers. Sommige economen bepleiten dat we moeten devalueren, maar dat is niet zo eenvoudig omdat we de tolunie hebben: als we devalueren en de Tsjechische markt wordt overstroomd met goedkope Slowaakse produkten, dan zou de Tsjechische partner wel eens tegenmaatregelen kunnen nemen.”

Van tegenmaatregelen is nog geen sprake, maar wel heeft het instellen van een grens tussen Tsjechië en Slowakije, waar het goederenverkeer wordt gecontroleerd in verband met BTW-afdracht, al tot een gevoelige daling van de onderlinge handel geleid: in januari en februari tussen de 15 en 22 procent. Voor de Slowaken is dat ernstiger dan voor de Tsjechen.

De economische verwachtingen voor de nieuwe republiek kunnen dan ook niet anders dan uiterst somber zijn. Er is meer werkloosheid dan in Tsjechië: 11,2 procent, tegen Tsjechië 2,5 procent. De belangrijkste staatsondernemingen zijn nog steeds niet allemaal geprivatiseerd: de grote werkloosheid kan dan ook niet lang uitblijven. Ook de vooruitzichten voor de inflatie zijn weinig rooskleurig: de vice-gouverneur van de nationale bank van Slowakije, Marián Jusko, verwacht dat die dit jaar boven de voorspelde 17 procent uitkomt. Het afgelopen jaar bedroeg de inflatie voor de Tsjechoslowaakse federatie ruim 10 procent.

Een groot aantal organisaties, werkgevers én werknemers, begint te klagen, onder meer over de hoge lasten die de hervorming van het belastingstelsel en de sociale verzekering heeft veroorzaakt. De regering heeft nog steeds geen economisch programma gepresenteerd, deels omdat men het binnen de regeringspartij niet eens is over de lijn, deels omdat men geen idee heeft welk alternatief gekozen kan worden. De Slowaakse politici doen de economische problemen graag af als “kinderziekten” van de jonge staat. Te vrezen valt echter dat het veeleer gaat om constructiefouten.