"Zelfs je eigen schaduw moet je wantrouwen'; Op jacht met een ORION

In december 1991 sloten Nederland en de Verenigde Staten in Key West, op het hoofdkwartier van Joint Task Force 4, een "memorandum of understanding': een overeenkomst waarbij Nederland Amerika zou helpen bij het opsporen en volgen van verdachte transporten met drugs in het Caraïbische gebied. Nederland opereert met een fregat en een Orion vanuit Curaçao. In de overeenkomst staat dat Nederland alleen als oog en oor in de regio functioneert, en geen aanhoudingen verricht. De Amerikanen zijn daar al dik tevreden mee. Verslag van een vlucht.

De tienkoppige bemanning komt in hagelwitte pakken vrij stram het zenuwcentrum van de marinebasis op Curaçao binnen. Zwijgend nemen ze plaats achter de lange, ovale tafel. De tengere inlichtingenofficier, die de briefing deze ochtend verzorgt, wil geen minuut verliezen.

De opdracht vandaag is uit te kijken naar een Colombiaanse vissersboot, de Neptune, die twee dagen geleden de haven van Santa Marta in Colombia heeft verlaten. De boot zou koers zetten naar de Bovenwindse eilanden met een grote lading marihuana. De bemanning van de PC Orion moet vanmiddag een terrein uitkammen van zo'n 350 kilometer breed en 80 kilometer lang aan de noordkust van Bonaire, Curaçao en Aruba. Er wordt op en neer gevlogen in banen die tien kilometer van elkaar verwijderd zijn. Een deel van het verkeer - 600 tot 1.000 bewegingen op zee en in de lucht per dag - wordt gefotografeerd. Vrachtschepen ondervraagt de Orion-bemanning via de marifoon.

Een tweede officier roept nog wat over radiofrequenties en radar. De piloten krijgen ten slotte strikt opdracht om vooral de territoriale wateren van Venezuela te mijden en het internationale luchtverkeer bij de luchthavens van Curaçao en Aruba in de gaten te houden. Er zijn geen vragen.

Op de vliegbasis Hato kleden de mannen zich om in felle oranje pakken. Met de bezoekers wordt geen risico genomen. “Ook als u bij een crash de enige overlevende bent, sleurt u toch de boot mee naar buiten en brengt u uzelf buiten levensgevaar”, zegt de instructeur koeltjes. Aan alles dien je eerst een stevige ruk te geven. Te beginnen met de nooddeur die je eruit trekt en naar buiten kiepert en als je eenmaal buiten bent aan het zwemvest, aan de boot en aan de zak met een overlevingspak. “U heeft iets meer dan dertig seconden. Dat moet lukken. We duwen u wel door de deur.” Aan de enige overlevende geeft dat laatste weinig troost.

In het dertig meter lange viermotorige propeller-vliegtuig neemt ieder zijn plaats in. Na het opstijgen wordt het vlug gemoedelijker. De zwemvesten mogen wat losser zitten. De radarwijzer zoekt zijn weg naar kleine contacten. Op de uitkijk in kleine, ronde raampjes speuren marinemannen met verrekijkers. De Taco (tactical co-ordinator) geeft vanachter zijn radarscherm opdrachten aan de vliegers, die de radar ook voor zich zien.

Ten westen van Bonaire springt een eerste groene stip op het radarscherm. Plotseling duikt het toestel in een scherpe bocht naar beneden. Er gaat een alarm af, omdat we onder de dertig meter komen. De piloot scheert op vijftien meter boven de kalme zee, die plotseling ruw lijkt, over een kleine vissersboot. Van schrik zwaaien de vissers met beide armen. “Staat die er mooi op”, vraagt de eerste piloot aan de fotograaf. “Haarscherp, meneer”, roept hij boven het lawaai van de krachtig optrekkende motoren. “We doen het nog een keertje over. Nu van voren naar achteren.”

NC 183 heet het bootje. Er is niet veel vis aan boord, ook geen kisten of ladingen onder een dekkleed, geen extra brandstoftanks, weinig radio-apparatuur. De gegevens worden in een computer gestopt. Bij verdachte gevallen gaat de informatie meteen naar de wal en naar het Amerikaanse Drug Commando voor het Caraïbisch gebied in Key West. Als we weer omhoog klimmen, zegt de piloot stralend: “Dat man, is het echte werk! Dat is vliegen. Beter dan met zo'n blauwe bus (KLM, red.).”

We keren plichtmatig terug naar de koers die is uitgezet. De Taco ziet niets meer in de weg zitten om de eerste strook uit te vliegen. Als we de noordgrens van het toegewezen vak bereiken, komt er plotseling een dikke, witte stip boven de golven uit. De vlieger informeert de Taco dat hij even wil kijken. Het blijkt een pleziervaartuig. Twee keer gaat het op de foto. Een kleine man, hoog op zijn fiber troon gezeten, gebaart dat wij weg moeten wezen. Hij schrikt van de grote Orion die op vijftien meter langs zijn bootje scheert.

Uit de kombuis komt een witte boterham met saté en een glaasje sinaasappelsap. Behendig manoeuvreren de mannen met de stokjes. Op de gele herkenningsboeken van schepen, op de inlichtingenrapporten van de Amerikanen en van de eigen marine-inlichtingendienst, en op de radaruitdraai komt geen spatje pindasaus. Als we opnieuw scherp zakken voor een nieuwe fotosessie worden de bordjes snel opgehaald. In de draai valt de verslaggever tussen de stoelen van de piloten. Waar lag die boot ook al weer en dat touw om mee naar buiten te komen, denkt hij op de hete vloer. Maar de boordwerktuigkundige vist hem op en zet hem weer recht. “Wel volhouden kereltje. Het duurt nog zeker drie uur.”

Tussen Aruba en Curaçao is veel vrachtverkeer. De grotere schepen roept de Orion-ploeg op via de marifoon. Er wordt gevraagd waar zij vandaan komen, wat de volgende haven is waar zij aanleggen, wat voor vracht zij aan boord hebben. De sergeant vult zijn lijstje in en bedankt de bemanning. Als een klein koopvaardijschip uit Argentinië niet antwoordt, zegt een van de marinemensen: “Dat komt vaker voor.” “Er is steeds minder personeel op sommige schepen. Ze nemen niet de tijd om te antwoorden. Dat hoeft niet altijd verdacht te zijn, maar je noteert alles. Zelfs je eigen schaduw moet je niet vertrouwen.”

In de Orion stijgt de temperatuur. De zon schijnt fel door de ramen. Iedereen krijgt een appel en een glaasje water.

De mannen op deze vlucht zijn in hun element. Een nieuwe taak in een tijd van toenemende bezuinigingen. Een luitenant zegt: “We leren te leven met een nieuw soort veiligheid. Economische belangen, sociale aanpak en misdaad, ook dat zijn onderdelen van veiligheid geworden. Misschien is het een speld in een hooiberg, maar we zijn al tevreden als deze acties een beetje afschrikken.”

We draaien onze baantjes, maar de Colombiaanse Neptune wordt niet gevonden. Voor de kust van Aruba vliegen we door een regenbui. Het zicht wordt minder. Vlak voor Curaçao, na vier uur vliegen, is een witte stip te zien in het water, even buiten een verlaten baai. De piloot keert terug naar zee, daalt, draait en davert over de witte stip. Het blijkt een boei en geen drijvend pak cocaïne, zoals enige tijd geleden. Steil trekt hij weer op, rakelings over de hoge, rechte kust van koraalsteen. De Orion scheert behendig als een pelikaan in de vroege ochtend op jacht naar zijn dagelijkse rantsoen vis.

Is het niet frustrerend om thuis te komen en te zeggen dat je niets gevangen hebt? “Soms is dat jammer”, beaamt een van de bemanningsleden. “Maar ja, het feit dat wij er zijn, werkt al. Er gaat een zekere afschrikking vanuit en verder moet de politiek het doen.”

Nederland is het enige land dat de Amerikanen in hun "War on drugs' helpt. De Fransen voelen daar niets voor, de Engelsen hebben weinig spullen hier en de grote Latijns-Amerikaanse landen houden zich afzijdig. De Amerikanen hebben grote moeite om hier te opereren in het "zwarte gat': het zee-oppervlak ten zuiden van de Benedenwindse eilanden voor de kust van Venezuela en Colombia. De Nederlanders kunnen met radar van het fregat dat hier altijd aanwezig is, en dat van de Orion, de vlieg- en scheepsbewegingen volgen en via een aparte verbinding de radarobservaties doorgeven aan Key West of aan andere Amerikaanse vliegtuigen en schepen in de buurt.

Ook de radar van de Amerikanen kan via "link 11' doorgeprikt worden naar de Nederlandse marine. Op het Nederlandse stationsschip, de Callenburgh, die na deze reis aan de Grieken wordt verkocht, kan de staf meeluisteren als de Amerikaanse kustwacht in internationale wateren hier in de buurt een verdachte boot entert. De drugskoeriers hebben zelf radioverbindingen met de syndicaten en in noodgevallen vragen zij instructies. Over de radio klonk onlangs de boodschap: “Deze kerels richten een echte raket op ons bootje. Wat moeten we doen.” Maak dat je wegkomt, probeer door te varen, luidt in het Spaans de vervolgopdracht. “Geen sprake van. Ik geef me over. Zo'n raket schiet ons aan flarden. De Yankees mikken op ons.” De bemanning wordt door de kustwacht opgepikt als drenkeling en het bewijsmateriaal verdwijnt in de golven.

Het rapport van deze Orion-vlucht ligt drie uur na de landing bij de inlichtingendienst op tafel op Curaçao, Den Haag en bij de Amerikanen in Key West. Hoe meer informatie, hoe beter. Willen de Amerikanen foto's hebben, dan worden die nagestuurd. De gegevens van varende en vliegende radar, van Amerikaanse grote ballonnen vol elektronica, die op verschillende plekken in het Caraïbische gebied worden opgelaten en van tien kilometer hoogte de lucht en zee verkennen, worden dag en nacht in computers gestopt in Key West. Zo zou het net zich moeten sluiten. Van de totale drugstransporten via het Caraïbische gebied denken de Amerikanen ongeveer tien procent te vangen. Nederland is niet meer dan oog en oor. Zelf erop afgaan is er niet bij, alleen opzoeken en volgen.

Terug op de basis Hato trekken de mannen hun warme pakken uit. Morgen is een verloren dag, want de Orion-ploeg moet minister Kooijmans ophalen in Suriname. Dat vlagvertoon daar is nieuw. “Onze gehele aanwezigheid hier in het Caraïbische gebied, is die van een herdershond die je zolang mogelijk in zijn hok wilt houden”, zegt de commandant, brigade-generaal F. van Kappen. “Wij kunnen diensten verlenen. Wij kunnen zaken uitvogelen en aanbrengen. Ik zou wel graag een betere brievenbus hebben, waar we onze post met gegevens kunnen achterlaten. Daar wordt aan gewerkt. Maar het eist een hele inspanning om de diensten van politie, van douane en van de eigen Antilliaanse inlichtingendienst te coördineren. Wij willen daarbij behulpzaam zijn als het ons wordt gevraagd, dat kan onder het Koninkrijksstatuut. Zover is het nog niet.”

Procureur-generaal op de Antillen, mr. R. Pietersz, is het met Van Kappen eens. Er zal en moet een vervolg komen op de gegevens die de marine binnenbrengt. Hij vraagt om geduld. Eerst moet hij zijn eigen team bij elkaar hebben. Een speciale opsporingseenheid, de SOD, twee officieren van justitie die zich met de onderzoeken kunnen bezighouden, coördinatie van verschillende andere diensten en een nieuw te werven commissaris van politie. “Te lang hebben we op de Antillen gedacht dat het drugsprobleem alleen een zaak van Justitie was. Daarvoor hadden we weinig mensen in het begin. Maar we moeten nu ook de vraag naar drugs verminderen, dan kan het aanbod ook afnemen. Tegelijkertijd wil ik een onderzoek naar de aanvoerroutes, naar de handelaren hier op de eilanden en naar de doorvoerhandel”, aldus Pietersz. “Ik voel er niets voor in het wilde weg te beginnen. Je hebt met een formidabele vijand te doen. Nederland heeft ook getraineerd na het werk van de marine met fase twee te beginnen: het aanhouden en enteren van bootjes en schepen en betere controle op de vliegvelden. Maar gelooft u mij: we zijn bezig. Nog voor het einde van dit kalenderjaar zullen we aan die vervolgoperatie beginnen. De mannen van de Orion vliegen dan bijna twee jaar.