Ware liefde (4)

Het was winter, lang geleden. Buiten sneeuwde het met dikke, vette vlokken, maar in de nachttrein was het lekker warm en droog. Ik stond voor het geopende gangpadraam te wachten tot hij uit Amsterdam zou vertrekken, omdat ik op weg was naar de Zwitserse Alpen.

Het was niet druk in de trein. Een raam verderop stond een meisje behoorlijk grondig afscheid te nemen van haar geliefde. Gevrij in het openbaar, tenzij door onontkoombare hartstocht verplicht gesteld, staat me min of meer tegen. Ik heb eens een vrouw gekend die het uitsluitend en alleen op klaarlichte dag wilde doen in een drukke winkelstraat. Natuurlijk niet zo maar op het trottoir, maar wel in een portiek terwijl iedereen langsliep. Ze had dan het liefst alleen een bontjas aan. Dat werd me op den duur toch een beetje al te veel drukte en gedoe.

Ik fietste een keer 's nachts met mijn buurman op. Regen en rotweer. Hij hoopte innig dat zijn vrouw zou slapen, anders moest hij er weer uit om door nattigheid en wind een telefooncel op te zoeken, omdat zij het zo lekker vond in de nacht door een donkere, verdraaide mannenstem uit haar halfslaap te worden gewekt. Liefdesgemurmel. Kortom: ze was gefascineerd, ja raakte in uiterste extase, door hijgers die vooral bij nacht en ontij hun telefonische liefdesboodschappen aan een anonieme microfoon prijsgaven.

't Is evengoed een heel gehannes, zei mijn buurman, want hij moest na zijn plicht te hebben gedaan haasje repje op zijn fiets springen, trap op, de slaapkamer in, anders liep hij de kans dat het aangewakkerde liefdesvuur alweer was gedoofd en kon hij opnieuw als een natte hond de deur uit. Ga er maar aan staan.

De trein vertrok. Ik keek over het bevroren IJ. Ik zag de vele lichten van wat later mijn lievelingsstad zou worden, traag maar allengs sneller aan mij voorbijgaan. Geknars van wissels, wielen en rails. De Montelbaans- de Schreierstoren. De toren van de Oude Kerk en daar achter als een kokette jongedame, de dierbaarste van alle, de Zuiderkerkstoren.

Wat zou dat meisje nu aan het doen zijn? We waren slechts door een dunne, kunststoffen wand van elkander gescheiden. Ze ging vast ook een lange reis tegemoet en zat daar net zo moederziel alleen als ik in die besneeuwde wondernacht te staren. Ik klopte op haar coupédeur. Ik had me niet vergist.

Ze was van een mooiigheid waar ik mijn hele leven gek op zou blijven. Ik kreeg er een kleur van. Ik verbaasde en schaamde me tegelijk voor mijn vrijpostigheid. Ik had een ongegeneerde smoes dat ik niet tegen roken kon in de trein. Ze stak lachend een sigaret op. Wat kon dat kind lachen. Schalks en gulzig. Ze had iets wat je zou willen koesteren en opeten tegelijk. Mooi, en een beetje lelijk, door elkaar gehusseld.

Pienter. Ze had van die pientere ogen met lichtjes die ze op de een of de andere manier naar believen aan en uit kon doen. Ze vond het heel verstandig dat ik bij haar was komen zitten. Ze ging ook naar de Zwitserse Alpen. Helemaal alleen en zonder haar vriend op wie ze zo stapel was en die ze nu al heel afschuwelijk en allervreselijkst miste. Ze moest naar Genève, waar ze op een stel rotkinderen moest passen die net zo vals waren als dom, met een moeder die de hele dag whiskey dronk en steeds aan haar zat en een vader die niet van haar kon afblijven. Nog een half jaar, dan was haar contract gelukkig afgelopen.

De trein zoefde door de winternacht. We waren Keulen al voorbij, toen ze tranen in haar ogen kreeg en nog meer, want ze begon echt te huilen, omdat ze altijd zo'n heimwee had bij die gierige Zwitsers en dan zo naar haar vriend verlangde die haar gelukkig bijna elke dag heel mooie lieve brieven schreef.

Ik ben altijd wat verlegen bij andermans verdriet. Zeg maar eerder een beetje stuntelig, wat aan de boerenkant. Maar wat kon ik anders doen in die warme pluchen wintertrein, dan haar in mijn armen nemen, nadat ik eerst zorgvuldig de rolgordijnen van deur en ramen had gesloten?

Even later waren de lampen uit. De banken uitgeklapt en mocht ik haar kussen. Kussen? Lieve deugd, wat een mens. Haar tranen proef ik nog. Haar gloeiend hete wangen toen ik haar mijn troostvolle liefdesleugens toevertrouwde.

Liever ben ik dood, dan zonder liefde te leven.