Resultaat Unilever zal niet verrassen

Unilever, dat morgen de jaarcijfers publiceert, heeft vorig jaar circa 14 gulden winst per aandeel gemaakt. Het kan een paar kwartjes meer of minder zijn, maar analisten van banken en effectenhuizen verschillen op dit punt nauwelijks van mening. Schokkende verrassingen verwachten ze morgen niet.

De voorspelbaarheid van de resultaten van Unilever (voeding, reinigingsmiddelen en toiletartikelen) is groot omdat het concern actief is in een sector die niet erg conjunctuurgevoelig is. Ook als het economisch minder gaat, moeten mensen eten en drinken. Bovendien zijn de activiteiten van Unilever gespreid over Europa (60 procent), Noord-Amerika (20 procent) en de rest van de wereld (20 procent). Nu wordt de stagnerende groei in Europa gecompenseerd door het herstel in de VS.

Het Brits-Nederlandse Unilever behoort samen met Koninklijke Olie en Elsevier tot de drie fondsen op de Amsterdamse effectenbeurs waarvan de koers het minst heftig heen en weer schommelt. De voorspelbaarheid van de resultaten van deze bedrijven werkt dit kalme koersverloop in de hand. Alleen de volatiliteit (beweeglijkheid) van beleggingsfondsen zoals Robeco, Alrenta en het ABN Amro Olbligatie Groeifonds is minder groot. Aan de andere kant van het spectrum zijn Fokker, Nedlloyd, Philips en Hoogovens te vinden, fondsen die vorig jaar een enorme koersval lieten zien. Ondanks het relatief rustige koersverloop van Unilever is de koers het afgelopen half jaar, gerekend vanaf het dieptepunt in augustus, met ruim 20 gulden gestegen van 175,20 tot 196,20 gulden vanmorgen.

De koers van een aandeel wordt niet alleen gerelateerd aan de (te verwachten) winst, maar ook aan het dividend. Unilever keert al jaren 40 procent van de winst per aandeel als dividend uit. De aandeelhouders kunnen over 1992 zo'n 5,20 dividend per aandeel verwachten. Bij een koers 196,10 komt dat neer op een dividendredement van 2,8 procent. Vergeleken het dividendrendement van banken en verzekeraars - ondernemingen waarvan de koers ook niet wild op en neer springt - dat tussen de 4,4 tot 6 procent ligt, scoort Unilever net als andere voedingsconcerns laag.

Behalve naar het dividendrendement kijken beleggers naar de koers/winstverhouding, de hoogte van de koers uitgedrukt in het aantal keren de winst per aandeel. Op dit punt scoren voedingsconcerns juist weer hoger dan de financiële waarden. Bij ABN Amro, ING, Amev en Aegon ligt de koers/winstverhouding tussen de 8 en de 10. De aandelen van de op de Amsterdamse beurs genoteerde voedingsconcerns (onder andere Wessanen, Ahold en CSM) zijn een stuk duurder. Belegger zijn bereid 14 keer de winst per aandeel neer te tellen voor deze stukken.

Analisten vergelijken de koers/winstverhouding van Nederlandse voedingsconcerns met deze ratio van andere Europese levensmiddelenproducenten. De koers/winstverhouding van giganten als Nestlé en BSN ligt eveneens tussen de 12 en 15. Beleggingsexperts vergelijken concerns op dit punt omdat grote institutionele beleggers steeds vaker in een bepaalde sector willen beleggen en niet per se in een bepaald land. In zo'n sector, bij voorbeeld de voedingsindustrie, wordt vervolgens gezocht naar relatief goedkope aandelen. Deze manier van beleggen draagt er toe bij dat de koers/winstverhouding in Europa in de verscheidene sectoren steeds meer naar elkaar toe neigt.