Reorganisatie dringend gewenst

Het begint er alle schijn van te krijgen dat de buitenparlementaire oppositie in de jaren negentig voornamelijk wordt gevormd door organisatie-adviesbureaus. Zo produceerde het adviesbureau McKinsey enkele jaren geleden een vernietigend rapport over het Amsterdamse Gemeentevervoerbedrijf. Bepaald kritisch was ook het oordeel van de management consultants van Twijnstra Gudde, die op verzoek van de gemeente de ambtelijke organisatie van de binnenstad onderzochten. Trefwoorden: verbrokkeld, naar binnen gericht, zwak beeld bij buitenwereld. Ingrijpende reorganisatie gewenst.

Nu ligt er weer een rapport, van het adviesbureau Berenschot ditmaal. Het gaat over de manier waarop de sector onderwijs is georganiseerd nu Amsterdam al weer enkele jaren is opgedeeld in zestien deelraden en een binnenstad. De analyse heeft de veelzeggende titel "Als eenvoud ontbreekt' meegekregen.

Wat de door de stadsdelen ingehuurde organisatie-adviseurs aantroffen loog er dan ook niet om. Leerlingenadministraties in schoenendozen, een chronisch gebrek aan kennis van zaken bij de ambtenaren van de zestien deelraden en groeiende haat en nijd tussen de ambtenaren op deelraadsniveau en de centrale stad. Er bestaat daarbij grote onduidelijkheid over de manier waarop de gemeente het geld over de deelraden verdeelt, zodat de deelraden vaak niet weten wat ze aan onderwijs uit kunnen geven.

Het is niets te veel gezegd. Wie de geldstromen en onderlinge verrekeningen ziet tussen het ministerie, de gemeente, de stadsdelen en de schoolbesturen, rekening houdt met het onderscheid tussen openbare en bijzondere scholen en ook nog eens de verschillende begrotingsposten op een rijtje zet, wordt al snel bevangen door het akelige gevoel dat er weinig voor nodig is om budgettaire chaos te creëren.

Alleen goed overleg zou de zaak nog enigszins kunnen redden, maar daar is volgens het rapport helaas geen sprake van. De ambtenaren van de zestien deelrepubliekjes vergaderen wel met de centrale stad, maar dat overleg wordt volgens de verslaggevers van Berenschot door een aantal betrokkenen betiteld als “gênante vertoning” of “bezigheidstherapie”.

En dan is er nog het probleem van de schoenendozen. Berenschot meldt dat grote onduidelijkheid bestaat hoeveel leerlingen nu eigenlijk in de verschillende stadsdelen zijn. Zelfs is het niet altijd duidelijk hoeveel leerlingen op een bepaalde school zitten. Dat laatste is niet nieuw: in een tijd van tanende bevolkingsaanwas wordt iedere nieuwe leerling vlot ingeschreven, terwijl geen enkele school belang heeft de schoolverlaters snel te registreren. De decentralisatie maakt dit probleem er echter niet eenvoudiger op.

Berenschot komt met een aantal aanbevelingen om de problemen op te lossen en zoals gebruikelijk is er een ambtelijke werkgroep van de centrale stad en de deelraden aan gezet om de suggesties nader te bestuderen. De genoemde kwalificaties van zulk overleg in aanmerking genomen kan dat nog een boeiende discussie opleveren. De belangrijkste aanbeveling van Berenschot is dat de gemeente Amsterdam zich opnieuw bij het parlement sterk moet maken voor de erkenning van stadsdelen als volwaardig lokaal bestuur. Er moeten minder stadsdelen komen (zes in plaats van zestien) en de centrale stad moet “haar dienstverlening terugbrengen naar een zakelijk niveau”, met andere woorden zich minder bemoeien met alles wat los en vast zit.

Maar het interessantste is de enige fundamentele oplossing die Berenschot bijna achteloos tussen de regels door geeft. Alleen een “rigoureuze recentralisatie” van een aantal taken en bevoegdheden zou werkelijk zoden aan de dijk zetten, maar, zo realiseren de adviseurs zich, dat zet de hele binnengemeentelijke decentralistie op losse schroeven. Het wachten is derhalve op het organisatiebureau dat straks de opdracht krijgt het functioneren van de Amsterdamse radenrepubliek te onderzoeken.