Pauken

Met gevoerde, kunstleren handschoenen aan en nog een extra stukje vilt over de wijsvinger tikt de Amerikaan Randy Max (33), solo-paukenist van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, voorzichtig op het strak gespannen vel. Wat er te horen is, moet wel ongeveer het zachtste geluid van een pauk zijn. Het minuscule tikje klinkt aan het begin van het Paukenconcert van de Amerikaanse componist William Kraft, dat Max zaterdag (20.15u in De Doelen) zal uitvoeren als solist bij zijn eigen orkest.

“In het derde deel van het concert zit een passage waar de paukenist gewoon moet raken wat hij raken kan,” zegt Randy Max. “Tussen het zachte begin en die uitbarsting heeft hij alle mogelijkheden van het instrument gebruikt: spelen met diverse stokken, glissandi maken met behulp van de pedalen, spelen met vier stokken tegelijk, kleine zakpartituren en stukjes zachte stof op het paukenvel leggen als dempers.

“Ik repeteer in De Doelen, als ik thuis studeer gebruik ik meestal oefenvellen. Die hoor je bijna niet en ze zijn een stuk kleiner dan echte paukenvellen. Wanneer je de kleine pauken goed kunt raken, zal het ook met de grotere wel lukken. Op echte pauken studeer ik vaak met oordopjes in, omdat ik soms flink tekeer moet gaan. Eén keer heb ik tijdens een concert oordopjes gebruikt: bij de Eerste symfonie van Schnittke. Ik moest zoveel herrie maken, dat ik mijn oren wilde sparen.

“In Krafts concert gebruik ik plastic vellen, dat geeft een heldere toon die past bij moderne muziek. Het oudere repertoire speel ik meestal op kalfsvellen. Die raken wel gemakkelijk ontstemd, omdat ze gevoelig zijn voor temperatuur en vochtigheid. Om te voorkomen dat de toon stijgt als een kalfsvel te droog wordt, gebruik ik natte sponsjes die ik via een gaatje onderin de ketel kan leggen. Vaak heb ik tijdens een concert een emmer naast me staan met wel vijftien sponsjes.

“Als kleine jongen hield ik al van mijn trommel. Op mijn tiende kreeg ik een drumstel en later intereseerde ik me steeds meer voor klassiek slagwerk. Het aardige van pauken vind ik, dat ze niet alleen een ritmeinstrument zijn maar ook toonhoogtes hebben. Ik kan ze mooi laten mengen met het orkest. Door iets hoger of lager te intoneren, kan ik de klank aanpassen aan de contrabas of de tuba.

“Sinds 1989 ben ik paukenist van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Op mijn verzoek hebben ze een nieuwe set pauken gekocht. Ik ben gewend aan de Amerikaanse opstelling, waarbij de laagste pauk links staat. In Europa, behalve in Frankrijk, staan ze andersom - ik weet niet waarom. De trommels zijn door de plaats van de toonhoogte-pedalen niet zomaar van links naar rechts om te wisselen.

“Ik hou van de pauken, van hun ronde, warme toon. Dat ik in klassieke muziek vaak slechts twee verschillende tonen speel, vind ik niet erg. Met kalfsvellen blijft het spannend, er gebeurt altijd wel iets. Als je mooie open klanken maakt, vraagt de luisteraar zich af of hij een pauk hoort, of de pedaaltonen van een orgel. Bij een fraai geïntoneerde pauk denk je niet meteen aan een slaginstrument. Het is mijn ideaal om de pauk te laten klinken als een pizzicato op een contrabas.”