"Industriefonds stelt te hoge eisen aan het bedrijfsleven'

AMSTERDAM, 22 FEBR. De voorwaarden van het binnenkort operationele Industriefonds zijn zo hoog dat bedrijven ook langs commerciële weg aan financiële middelen kunnen komen. Dat beweerde organisatie-adviseur M.G. Rost van Tonningen tijdens een PvdA-bijeenkomst over het Nederlandse industrie- en technologiebeleid in Amsterdam.

Met de rendementseis van 10 à 15 procent kun je ook “moeiteloos op een andere manier aan geld komen”, zei Rost van Tonningen. Zijn opvatting werd niet weersproken door M.J.L. Jonkhart, directeur van de Nationale Investeringsbank; de beheerder van het Industriefonds.

Het Industriefonds is een faciliteit voor middelgrote en grote bedrijven die de kern vormen van hoogwaardige activiteiten op het gebied van technologie, werkgelegenheid, kennisinfrastrucuur en toeleveranciers. De bedoeling is dat het Industriefonds dit voorjaar operationeel wordt en op dit moment beschikt het fonds over 660 miljoen gulden. Economische zaken, de banken en de verzekeringsmaatschappijen nemen allemaal voor 200 miljoen gulden deel aan het fonds en minister Andriessen verwacht dat ook de pensioenfondsen voor 200 miljoen gulden zullen participeren. De Nationale Investeringsbank neemt tien procent van de versterkte financiering voor eigen rekening. Vorige week werd bekend dat het pensioenfonds PGGM voor 50 miljoen gulden gaat deelnemen.

NIB-directeur Jonkhart wil dat de overheid bij de verkoop van staatsdeelnemingen de opbrengst reserveert voor industriepolitiek en niet besteedt voor de financiering van de tekorten. Deze zogenoemde revolving funds moeten een element zijn van een offensief beleid om de Nederlandse industrie te versterken. Naast het creëren van gunstige concurrentievoorwaarden moet de overheid bedrijven ook tijdelijk bedrijven financieel de helpende hand kunnen bieden, aldus de NIB-directeur.

President-directeur J. Hovers van Stork NV onderstreepte het grote belang van een specifiek industriebeleid. In de jaren zeventig werd zijn machinebedrijf voor een bedrag van ongeveer 250 miljoen gulden gesteund en is zo “op de been geholpen”. “De overheid is er niet bij ingeschoten want de lening is tot op de laatste cent terugbetaald.”

Het Kamerlid W. van Gelder (PvdA) vindt dat de overheid noodlijdende bedrijven als Fokker en Daf te hulp moet schieten. Verder brak hij een lans voor een actief industriebeleid. “Niet vanuit een ouderwets sturings- en planningsideaal, maar omdat de versterking van de economische structuur geen passieve overheid toelaat.” De bijeenkomst werd georganiseerd in het kader van het PvdA-verkiezingsprogramma 1994-1998.

B. van der Weg, voorzitter van de industriebond FNV vindt dat de overheid “veel steken heeft laten vallen in het industriebeleid”. Hij hekelde de lakse opstelling van de overheid en vond dat strategische keuzes uit de weg werden gegaan. De toenemende beleidsconcurrentie in de EG dwingt de overheid tot een “agressiever beleid, anders missen we de boot”, aldus Van der Weg. “Je alleen maar richten op de algemene voorwaarden is spelen met vuur.”

Rost van Tonningen typeerde de huidige discussie over het industriebeleid als een “farce”. Hij vond dat verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen (met een belegd vermogen van 600 miljard gulden) “actief in onze economie moeten recyclen, anders worden we een ontwikkelingsland.” Het kabinet praat al een ruime tijd met de zogenoemde institutionele beleggers om ze te overtuigen meer in Nederland te investeren. Tot nu toe zonder weinig resultaat, aldus Rost van Tonningen.