Een land zonder spiegel

Atlantis is verdronken en Nederland dobbert wat eenzaam rond. Nu de beschermende hand van de Verenigde Staten niet meer in dezelfde mate als vroeger over ons land ligt, is men op zoek naar nieuwe zekerheden. Maar wie zou Nederland onder de arm willen nemen, op wie of wat zou de diplomatie zich kunnen richten? Deze vreesachtige vraag overheerst het januari-nummer van de Internationale Spectator dat geheel is gewijd aan het "Nederlands buitenlands beleid in een veranderde context' en keert ook terug in een recent rapport van de Atlantische Commissie, Transatlantic relations and the Management of Disorder.

Nadenkende geesten varen op het kompas van de macht en weten zeker dat Duitsland een nieuw zwaartepunt in de buitenlandse politiek van Nederland moet worden. Deze gedachte komt men de laatste maanden in ieder geval voortdurend tegen. Zo vindt de voorzitter van de Adviesraad Vrede en Veiligheid, Van Staden, in de Internationale Spectator dat een “afstemming van het Nederlandse veiligheidsbeleid op het Duitse” nodig is en lezen we in het genoemde rapport eenzelfde pleidooi: “Dutch foreign policy (...) should (...) become more closely aligned to Germany”. Eerder waren in de Tweede Kamer soortgelijke geluiden te horen.

Welke bezwaren zijn er tegen deze redenering? Om te beginnen is het de vraag of men zekerheid kan ontlenen aan een onzekere natie. Duitsland kampt immers met een bijna onmogelijke optelsom van interne en externe problemen. Het is zeker het machtigste, maar ook het meest getraumatiseerde land in Europa. De kans dat Duitsland zich nader in Nederland wil verdiepen is overigens niet zo heel groot. De houding van Genscher die op het laatste moment zijn steun aan de Nederlandse voorstellen inzake het verdrag van Maastricht terugtrekt of zijn eenzijdige erkenning van Slovenië en Kroatië kunnen wat dat betreft tot voorbeeld strekken.

Maar stel dat Duitsland de evenwichtigheid zelve zou zijn, dan nog zijn er bezwaren tegen een verdergaande afhankelijkheid van dat land. Gezien de toch al zware economische invloed van Duitsland op Nederland is het niet verstandig deze te verdubbelen met een eenzijdige politieke oriëntatie op de buren in het oosten. Daar komt nog bij dat het om historische redenen uitgesloten is dat uit de nieuwe hoofdstad Berlijn de Europese Gemeenschap zal worden geleid. Duitsland zal zelden zonder Frankrijk werkelijke initiatieven kunnen ontplooien en zal niet snel uitgroeien tot een natuurlijk centrum van het ongedeelde Europa.

Achter de Neder-Duitse overdrijving gaat op zichzelf een juiste intuïtie schuil: een afscheid van de exclusieve gerichtheid op Engeland en Amerika is nodig, het anti-continentalisme is passé. Nederland wordt landinwaarts getrokken, zoveel is wel zeker. Dat is overigens niets nieuws. Al veel langer dan sinds 1989 is de relatieve neergang van de Verenigde Staten en de opkomst van Duitsland gaande. De val van de Muur heeft deze tendensen verhevigd, maar de gehele jaren tachtig hebben in het teken gestaan van een continentalisering van de Europese politiek. De Atlantische dogmatiek van Nederland heeft de waarneming van deze verschuivingen geblokkeerd.

De vraag is nu of Nederland echt doende is zijn houding jegens het continentale Europa te veranderen. Meer nog dan een verbetering van de betrekkingen met Duitsland, die helemaal niet slecht zijn, is een intensivering van het contact met Frankrijk toetssteen voor zo'n verandering. En juist in dit opzicht is er van stilstand sprake. De welhaast deerniswekkende opvattingen die veel van onze diplomaten, politici en intellectuelen koesteren met betrekking tot Frankrijk zijn nog steeds in de mode. Dat laatste is een understatement. Niet lang geleden kon men een hoge diplomaat de houding van Frankrijk zelfs horen kwalificeren als een “bedreiging van de Europese veiligheid”.

In het rapport van de Atlantische Commissie staat geheel in deze trant te lezen: “Nu er geen glorieuze vooruitzichten zijn en de beginselen van zijn buitenlandse politiek behoorlijk aan het wankelen zijn gebracht, lijkt de Franse diplomatie niet op haar gemak en kronkelt en draait in vergeefse pogingen haar greep op de Europese zaken te houden”. En zo gaat het nog even door. Frankrijk is nu eenmaal een toonbeeld van machiavellisme, verlepte grandeur en dubbelhartigheid. Wie dit platgetreden beeld vergelijkt met de invoelende beschouwing over Duitsland, weet hoe laat het is. Hoe de schrijvers van het rapport na deze waardering van Frankrijk nog tot een positief oordeel over de Frans-Duitse samenwerking kunnen komen en deze zelfs omschrijven als de “motor van de Europese integratie”, is een volslagen raadsel.

Waar komt die in zichzelf gekeerde woede jegens Frankrijk eigenlijk vandaan? Hoe kan een zo geborneerde blik verklaard worden? Misschien dat Frankrijk het slechte geweten van Nederland belichaamt. De voortdurende conflicten sinds 1958 tussen Parijs en Den Haag hebben laten zien dat het Europese idealisme van ons land flinterdun is. Deze tegenstelling onthult namelijk dat ook Nederland eigen belangen in Europa nastreeft, die weliswaar van Frankrijk verschillen, maar daarom niet minder van nationaal particularisme getuigen. De Gaulle heeft dat ooit opgemerkt en daarin had hij groot gelijk. Frankrijk houdt Nederland een spiegel voor en daar is men hier te lande niet van gediend.

Over de malaise van onze diplomatie lezen we dan ook geen woord in het rapport van de Atlantische Commissie. In Nederland is de onzekerheid niet minder groot dan in Frankrijk, alleen een ironische bespiegeling daarover is ver te zoeken. De mate van verwarring over de plaats van Nederland blijkt onder meer uit de typering die de directeur van Clingendael, Joris Voorhoeve, geeft in de Internationale Spectator. Nederland is volgens hem een “middelgrote mogendheid in zakformaat”. Dat is wel erg veel onbedoelde ironie voor een rivierdelta. In Nederland is voortdurend teveel en te weinig zelfbewustzijn aan het werk. De traditionele achterdocht ten opzichte van Frankrijk en de recente onderdanigheid aan het adres van Duitsland illustreren dat.

Nederland is een land zonder spiegel en wie zichzelf niet kent, zal ook weinig begrijpen van de buitenwereld. In een vraaggesprek met Vrij Nederland (23 januari) geeft Lubbers daarvan een een treffend voorbeeld. Moeiteloos rekent hij alle fouten inzake Joegoslavië aan anderen toe. Hierbij een greep uit zijn middelgrote gedachten in zakformaat: Over Duitsland - “ze hadden een beperkte kijk op Joegoslavië”; over Frankrijk - “heeft het heel moeilijk gehad met zichzelf”; over de Engelsen - “hebben weer last gehad van hun eilanddenken”; over de Spanjaarden - “hadden om hun eigen redenen weinig op met autonome deelrepublieken”; en ten slotte België - “een nogal duifachtige benadering”. Ach, luisterde men maar naar Nederland!

Een enigszins evenwichtige opvatting over Europa blijkt nog niet steeds mogelijk te zijn. Eigenlijk bepaalt het oude wantrouwen nog altijd het denken over onze omgeving. Het verbaast niet echt dat 's lands diplomaten uiteindelijk hun hoop blijven vestigen op de resterende bescherming die van de andere kant van de oceaan komt. Zonder een herwaardering van met name de rol van Frankrijk in Europa blijft Nederland een gevangene van voorbije Atlantische illusies.