De redding in Eindhoven

DAF IS WEER op de weg. De vrachtwagenfabriek die drie weken geleden uitstel van betaling aanvroeg, kan de produktie in sterk afgeslankte vorm hervatten. De redding van DAF is een knap staaltje werk van de twee bewindvoerders in samenwerking met alle betrokkenen. Het is een voorbeeld van sanering via een gereguleerd marktmechanisme, waarbij de "oude DAF' is afgeboekt en de levensvatbare onderdelen overgaan in een nieuwe onderneming. De banken, de Vlaamse en Nederlandse overheid, investeerders en leveranciers hebben het benodigde risicodragende vermogen opgebracht. Opvallende afwezige in dit rijtje: de Britse overheid, die weigert steun te verstrekken, waarmee het lot van DAF's Engelse probleemgeval Leyland Trucks bezegeld is.

De Eindhovense traditie van trucks met oplegger spreekt tot een jongensachtige verbeelding van ambachtelijkheid, technologisch vernuft, chauffeursromantiek en de geur van diesel. De ondernemingsraad en de Industriebond FNV hebben daar kundig op ingespeeld en met hun actie "Honderd piek voor een fabriek' een nationaal DAF-gevoel opgeroepen dat meehielp een klimaat te scheppen waarin geen weg terug mogelijk was. In enkele dagen brachten particulieren 12,5 miljoen gulden op als bijdrage aan het behoud van DAF. Het is een opmerkelijk initiatief van volkskapitalisme, waarmee Nederlanders te kennen geven dat ze graag bereid zijn te investeren in behoud van industrie en werkgelegenheid.

Van de resterende werknemers wordt een loonoffer gevraagd waarmee een afvloeiingsregeling voor de helft van het personeel dat ontslagen wordt, kan worden gefinancierd. Het oogt wrang dat de werknemers aangeslagen worden voor een bovenwettelijke uitkering voor hun voormalige collega's voor wie in het nieuwe bedrijf geen plaats is. Maar het past in de opmerkelijke sfeer van eendracht die de afgelopen weken in het geval-DAF is getoond en de vakbeweging, die daarbij zo'n constructieve rol heeft gespeeld, zou daarmee moeten instemmen.

IN KORTE TIJD zijn twee Nederlandse industriële complexen voorlopig gered. Fokker is verkocht aan Dasa en DAF heeft nieuwe aandeelhouders. De overheid heeft in beide gevallen een forse bruidsschat aan deze bedrijven meegegeven waarvan het niet zeker is of deze zal worden terugverdiend. Die gok valt te rechtvaardigen omdat het om hoogwaardige bedrijven gaat, die deel uitmaken van wat in het Haagse taalgebruik industriële clusters wordt genoemd, met een brede uitstraling wat betreft technologische ontwikkeling en werkgelegenheid bij toeleveringsbedrijven. Fokker maakt nu deel uit van een Europees vliegtuigconsortium; DAF is van zijn ballast ontdaan en zal vermoedelijk eveneens op zoek gaan naar een internationale partner.

De overheid heeft als aandeelhouder en bedrijfsadviseur van Fokker en DAF niet altijd strategisch gelukkig geopereerd, ook al is op het departement de nodige kennis aanwezig. De omstandigheden zijn moeilijk vergelijkbaar, maar in beide gevallen speelden de aanvankelijke aarzeling bij de formulering van het nationale belang bij industriebeleid, politieke druk en de zorg om de gevolgen voor de begroting het verantwoordelijke ministerie van economische zaken parten. De reddingspogingen van de overheid bij DAF liepen uit op surséance van betaling, waarna de bewindvoerders het bedrijf weer op de markt brachten. Bij Fokker hebben Andriessens manoeuvres de staat veel geld gekost, bij DAF is door twee bewindvoerders doortastend geopereerd. De schuldvraag bij de neergang van DAF staat nog open, de gedupeerde aandeelhouders hebben recht op een verhaal, maar DAF kan weer aan de slag. En dat is, ondanks alles, winst.