"De keuze tussen pindakaas of potloden, dat is moeilijk'

Hoe verdienen Nederlandse kunstenaars de kost, als hun kunst nauwelijks wordt verkocht, de subsidies slinken en een beroep op de bijstand straks onmogelijk wordt? Kunstenaars uit verschillende disciplines openen in deze serie hun kasboek. In dit eerste deel twee beeldende kunstenaars, Noëlle von Eugen en Kees de Valk.

Niet dat Middelburg een kunstenaarsonvriendelijke gemeente is. Integendeel, de wethouder staat oogluikend toe dat kunstenaars er gebruik maken van de bijstand, en dat is in talloze andere gemeenten niet het geval. Maar vorig jaar werd het beeldende kunstenaar Kees de Valk (46) toch te gortig. Hij wilde met zijn gezin (vrouw, studerende zoon, dochter op het VWO) niet langer het gevoel hebben dat hij nog langer afhankelijk was van de onzekere gunsten van de overheid: “Een soepele behandeling van kunstenaars in de bijstand is geen recht.” Hij stak zich in de schulden en zette met zijn vrouw een winkeltje op in tweedehands kleren. “We proberen nu samen voor een basisinkomen te zorgen: zij met het winkeltje duizend gulden per maand voor het levensonderhoud. En ik duizend gulden voor de vaste lasten, inclusief de sociale verzekeringen.”

Want dat laatste is het voordeel als je in de bijstand zit: je bent verzekerd. Die duizend gulden verdient hij met "scharrelen', deelname aan kunstcommissies, jury's en binnenkort weer les geven aan amateurkunstenaars. Zo proberen De Valk en zijn vrouw ongeveer het inkomstenniveau van 1.700 gulden bijstand per maand te evenaren.

De Valk maakt figuratieve schilderijen waarin hij klassieke en moderne thema's verweeft. Hij verkoopt af en toe wel werk, maar niet genoeg om van te leven. “Ik heb pech gehad,” zegt hij. Doordat hij veel presentatiemateriaal over zichzelf verspreidt, kreeg hij begin jaren negentig contact met een galerie in Zürich, waar hij verschillende doeken verkocht. De buitenlandse markt lokte, maar als gevolg van het inzakken van de kunstmarkt door de Golfoorlog, ging zijn Zwitserse galerie failliet.

Met het basisinkomen van ongeveer tweeduizend gulden heeft hij nog niet genoeg om zijn beroep als kunstenaar uit te oefenen. “Om te kunnen schilderen heb je voor verf, potloden, penselen, doek, atelierkosten, presentatiemappen en dergelijke jaarlijks ongeveer tien- tot vijftienduizend gulden nodig,” is zijn ervaring. “Dat probeer ik toch via subsidies binnen te krijgen,” vertelt De Valk op de zolder van zijn huis, die als atelier dienst doet.

Hij zat, na zijn opleiding in de jaren zestig aan de Vrije Academie in Den Haag aanvankelijk in de beeldende kunstenaarsregeling (BKR), waarbij de overheid kunstenaars, in ruil voor kunstwerken, een inkomen verschafte. Een luxe tijd, die gezien de economische omstandigheden voorgoed voorbij is, denkt De Valk. Toen de BKR in 1987 afgeschaft werd, vroeg hij de beroepskostenvergoeding via WVC aan. “Het ene jaar kreeg ik dat wel, dan weer niet.” Met name eind jaren tachtig was het echt armoede, doordat de beroepskostenvergoeding uitbleef. “Er was zo weinig geld dat we echt moesten kiezen tussen nieuwe potloden of een pot pindakaas. Dat gaf spanning in het gezin, dan is het moeilijk om te blijven kiezen voor je beroep als kunstenaar.”

Zelf denkt hij het hoofd wel boven water te kunnen houden, mede omdat hij een onderwijsbevoegdheid heeft. Maar hij kent talloze collega's, mede door zijn werk als voorzitter van de groep beeldende kunstenaars bij de Kunstenbond FNV, die dat niet hebben. Met name voor oudere kunstenaars, die tientallen jaren hun beroep met steun van de overheid konden uitoefenen, onder meer in de BKR, is de nieuwe bijstandsmaatregel in feite een beroepsverbod zegt hij.

In het kabinetsvoorstel voor de nieuwe Algemene Bijstandswet wordt bepaald dat wie binnen een jaar niet zelfstandig zijn brood kan verdienen ander werk moet zoeken. De mogelijkheid die nu in veel gemeentes bestaat om met behoud van uitkering het beroep kunstenaar uit te oefenen verdwijnt dan definitief, zodat duizenden kunstenaars zich zullen moeten omscholen. In Nederland zijn naar schatting 12.000 beeldende kunstenaars, waarvan ruim de helft (eveneens naar schatting) uitkeringsgerechtigd is.

Noëlle von Eugen, (1960) kunstenares in Amsterdam, vindt de "afschaffing van de bijstand voor kunstenaars' niet goed. “De kansen om op de kunstmarkt te opereren worden steeds kleiner. De economie is ingezakt, mensen besteden minder aan kunst. De subsidiebudgetten worden kleiner, de kunstuitlenen kopen minder aan. En is er gezien de huidige economische omstandigheden met al die massa-ontslagen wel werk voor al die duizenden kunstenaars die straks uit de bijstand moeten? ” vraagt ze zich af.

Dat je, zoals andere kleine zelfstandige ondernemers, maar één jaar mag proberen met steun van sociale zaken je beroepspraktijk op te bouwen als kunstenaar vindt ze niet terecht. Zelf is ze, na een opleiding aan de kunstacademie in Den Bosch, negen jaar werkzaam als kunstenares en sinds drie jaar maakt ze enige omzet met de verkoop van haar schilderijen: in 1990 was die 18.000 gulden, in 1991 20.000 gulden en afgelopen jaar 30.000. Bijna de helft van die omzet gaat naar galeries die provisie vragen. De beroepskosten die er af gaan bedragen jaarlijks tussen de tien- en vijftienduizend gulden. Vorig jaar maakte ze voor het eerst een bescheiden winst (voor belastingen) van zesduizend gulden. Dat bedrag wordt, na aftrek van belasting, door de Amsterdamse sociale dienst in mindering gebracht op haar bijstandsuitkering.

Ze volgt momenteel een pedagogische opleiding om straks les te kunnen geven aan creativiteitscentra, om zo een minimaal inkomen te verwerven. Uit ervaring weet ze dat het moeilijk is om parttime kunstenaar te zijn. Na haar opleiding woonde en werkte ze drie jaar in Parijs als kunstenares, maar ze was “uiteindelijk alleen nog maar bezig met werken of met zoeken naar baantjes” om de kost te verdienen. Studie en zorgen dat je werk verkocht wordt, kosten ook veel tijd en versnipperen je aandacht voor het schilderen, zegt ze.

Van de naar schatting zesduizend kunstenaars die (deels) afhankelijk zijn van de bijstand, komen straks 1200 in aanmerking voor een nieuwe meerjarige 'basisbeurs' van het Fonds voor Beeldende Kunst, dat daarvoor van WVC 33,5 miljoen gulden krijgt.

“Er is straks alleen nog maar ruimte voor een elite die topkunst maakt,” vindt ze. “De grote middenmoot van de kunstenaars in Nederland wordt het werken onmogelijk gemaakt. En dat komt allemaal omdat men van het misverstand uitgaat dat kunstenaars die veel geld of subsidie binnenhalen goede kunstenaars zijn, en wie tot de middenmoot behoort kwalitatief middelmatig is. Dat is absoluut niet zo, dat is verkeerd zakelijk gedacht,” vindt ze.

Noëlle von Eugen is zelf een bewijs van haar stelling. In 1991 won ze de Koninklijke Subsidie voor Vrije Schilderkunst met haar cirkelvormige schilderijen, die volgens de jury gedurfd en 'ongekend dynamisch' waren. Maar tegelijkertijd vond de commissie van het Fonds voor beeldende kunst haar werk kwalitatief niet voldoende om voor een beroepskostenvergoeding in aanmerking te komen. “Het geeft aan hoe subjectief oordelen over kunst zijn, en als nog maar een instantie alles verdeeld, zoals WVC en Sociale Zaken willen, krijg je een monocultuur.”