Bosnie; Ogata heeft goed gegokt

Vier dagen nadat Sadako Ogata vanuit Nairobi kwaad een eind had gemaakt aan alle hulpoperaties van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR), is die hulp gisteren hervat. In Zepa hebben de belegerde moslims voor de tweede keer in tien maanden weer voedsel en geneesmiddelen ontvangen en wellicht krijgen morgen ook de moslims in het belegerde Gorazde hulp. In Sarajevo is na de bevoorrading van Zepa een eind gemaakt aan de boycot, door de Bosnische regering, van de voedseldistributie.

De vraag die zich opdringt is of dat resultaat van gisteren - vooral dat in Zepa - er dankzij of juist ondanks de spectaculaire interventie van de Japanse UNHCR-chef is gekomen. Met andere woorden: is mevrouw Ogata, een halve week lang fel gehekeld om haar eigengereide besluit, met een blauw oog weer aan het werk gegaan, of zijn de resultaten van Zepa en Sarajevo juist te danken aan haar ingrijpen?

De hele wereld is na woensdag, toen Ogata de hulpverlening stopzette, over haar heengevallen. Sommigen niet zonder enige hypocrisie. President Izetbegovic, de man die een eind maakte aan de verdeling van voedsel in een stad waar - alle solidariteit met de geïsoleerde moslims ten spijt - tienduizenden bejaarden en kinderen zich helemaal geen hongerstaking kunnen veroorloven, sprak kwaad van “chantage van de armen door de rijken”. In de wandelgangen van de Veiligheidsraad blies men even van verontwaardiging.

Anderen brachten wel begrip op voor Ogata's motieven, maar vonden dat een zo cruciale organisatie zich zo'n gebaar om humanitaire redenen niet kon veroorloven. De chef van de VN-vredesmacht in Bosnië, de Franse generaal Philippe Morillon, zei dat hij zelf de voedselkonvooien wel naar steden als Zepa zou gaan brengen en de secretaris-generaal van de VN, Boutros-Ghali, leek zich vrijdag publiekelijk van Ogata te distantiëren door haar opdracht te geven van haar beslissing terug te komen en de hulp te hervatten: niet zij was de hoogste baas van de VN-hulpverlening in Bosnië, maar hij - een op het oog vernederende terechtwijzing van de UNHCR-chef.

Toch kan Ogata zich de morele overwinnaar van de korte, maar hevige rel noemen. Maandenlang heeft haar UNHCR in samenwerking met de VN-vredesmacht UNPROFOR tevergeefs getracht de door de Serviërs belegerde moslim-enclaves als Gorazde, Zepa en Cerska te bereiken. Telkens weer hadden lokale Servische milities de konvooien teruggestuurd, en als zij het niet deden, deden Servische burgers het wel door massaal op straat te gaan zitten teneinde de bevoorrading van de moslim-vijand verderop - ook al waren dat burgers - te verhinderen: de honger werd zonder pardon als wapen in het algehele Servische beleid van "etnische zuivering' gebruikt. Door de moslims niet alleen militair te bestoken, maar ook bewust uit te hongeren, werden ze murw gemaakt en tot vertrek gedwongen.

In sommige al maanden van de buitenwereld afgesloten dorpen in Oost-Bosnië sterven mensen van honger (in Zepa zijn volgens sommige berichten honderden mensen gestorven) of houden ze zich in leven met het eten van boomschors, strooizout, veevoer en naar verluidt zelfs mensenvlees.

Ogata's besluit de hulpverlening te staken zette de wereldgemeenschap - die ontsteld reagerende maar niet bepaald doortastende Veiligheidsraad en Boutros-Ghali - voor het blok. Zij confronteerde de politici in het verre New York op drastische wijze met de enorme kloof die al sinds het uitbreken van de oorlog in Bosnië gaapt tussen de plannen en voornemens en besluiten van de Veiligheidsraad en de Joegoslavië-conferentie van Lord Owen en Cyrus Vance enerzijds en de barre praktijk op het Bosnische slagveld anderzijds. Maar Ogata zette met haar besluit indirect ook de oorlogvoerende partijen in Bosnië zelf voor het blok, en dan vooral de Bosnische Serviërs.

De stopzetting van de hulpverlening was voor de internationale gemeenschap immers simpelweg onaanvaardbaar: er zou hoe dan ook een oplossing moeten worden gevonden voor het probleem van de naar schatting 150.000 geïsoleerde moslims in het oosten van Bosnië. Dat was slecht nieuws voor de Serviërs, niet alleen omdat zij alweer als de grote boosdoeners te boek komen te staan, maar ook omdat een toename van de vastbeslotenheid van die internationale gemeenschap wel eens zou kunnen resulteren in een uitbreiding van het mandaat van de VN-vredesmacht UNPROFOR. De Serviërs hebben er geen belang bij straks oog in oog te komen te staan met - bijvoorbeeld door tanks geëscorteerde - konvooien die zich met geweld een doorgang willen verschaffen. En zo bonden ze in, lieten gisteren het konvooi voor Zepa door en beloofden ook dat voor Gorazde morgen niets in de weg te leggen. Ogata heeft alsnog haar zin gekregen.