Zegt u niet dat ik een vriendelijke vrouw ben; "Alleen Martens en de koning wilden mij op deze plaats'; "Alstublieft, weiger hen niet omdat ze illegaal zijn'

Paula D'Hondt (66) treedt per 1 maart terug als koninklijk commissaris voor het migrantenbeleid in België. Ze gaat met pensioen. Nog een week te gaan, en dan raakt extreem-rechts in Vlaanderen zijn favoriete mikpunt van onbeschaamde spot en hoon kwijt.

BRUSSEL, 20 FEBR. “Mispakt u niet aan mij, hoor. Het minst fijne compliment dat u mij kunt geven, is te zeggen dat ik een vriendelijke vrouw ben”, zegt Paula D'Hondt met een glimlach. “Het Vlaams Blok heeft zich natuurlijk in mij vergist. Ze hebben gedacht dat ik hun aanvallen als een voorname vrouw naast me neer zou leggen. Maar ik ben een enorme straatvechter. Geen haar op mijn hoofd die er ook maar aan heeft gedacht om niet terug te vechten. Dan kun je alles wel over je heen laten gaan. In die zin ben ik niet zo bijbels hoor: het is niet eender wie er op mijn andere wang slaat.”

Een groep Turkse mannen, vrouwen en kinderen uit Antwerpen - de stad waar het Vlaams Blok de afgelopen jaren de grootste aanhang heeft verworven - is alvast afscheid komen nemen in de werkkamer van de koninklijk commissaris voor het migrantenbeleid, op de hoogste verdieping van een kantoorgebouw in de grauwe zakenwijk van Brussel waar ook de EG is gevestigd. Dat bezoek ontroert haar, zegt ze. “Vooral de vraag "Wat gaan we doen, als ge weg zijt?', trof me. Ik heb gezegd dat ik nog niet dood ben, en dat ze dus altijd nog een beroep op mij kunnen doen, waar ik ook ben in België.”

Niet alleen Vlaams-Blokkers hebben de persoonlijkheid van Paula D'Hondt schromelijk onderschat. Lange tijd stond zij bekend als een enigszins “koppige” maar tegelijkertijd typische representante van het katholieke politieke establishment in Vlaanderen. Ze werd gevormd in de christelijke sociale arbeidersbeweging, werkte mee aan de oprichting van de Katholieke Arbeiders Vrouwen, was jarenlang gemeenteraadslid en schepen in haar woonplaats Kerksken, stapte over naar de Senaat, werd staatssecretaris PTT en eindigde haar politieke carrière als nationaal minister van openbare werken.

Met migrantenbeleid had ze nooit iets te maken gehad. De verbazing was dan ook groot, toen premier Martens haar vier jaar geleden vroeg om als koninklijk commissaris blauwdrukken op papier te zetten en initiatieven te ontplooien om in België “een harmonieuze samenleving” tot stand te brengen. “Dat was geen cadeautje hoor, dat was een vergiftigd geschenk. Niemand wilde mij hebben en niemand steunde mij. Niemand uit het establishment bood me een helpende hand”, blikt ze niet zonder bitterheid terug. Vervolgens weer glimlachend: “Alleen Martens en de koning wilden mij op deze plaats. En dat is toch voldoende om die post te aanvaarden.”

Ook de meest cynische criticasters erkennen dat D'Hondt haar taak meer dan voortreffelijk heeft vervuld. De afgelopen vier jaar ontpopte de koninklijk commissaris zich als het morele geweten in België en wekte haar inzet alom bewondering af. Bijna dagelijks reisde ze het land door; ze bezocht volksbuurten, migrantenhuizen, kerken en moskeeën, culturele centra, clubhuizen, scholen, vakbondsbijeenkomsten, politieke vergaderingen; en ze onderhandelde met ministers, met gemeentebestuurders en met vertegenwoordigers van migrantenorganisaties.

Alleen al het afgelopen jaar hield ze meer dan driehonderd toespraken, voor een belangrijk deel door haar zelf geschreven. Het opvallendste kenmerk daarbij: de onverbloemdheid waarmee ze haar woorden kiest, niet alleen richting Vlaams Blok maar vooral ook richting de politieke klasse waaruit ze zelf afkomstig is.

De afgelopen weken hield Paula D'Hondt onder andere een lange toespraak voor een zaal met meer dan duizend gelovigen in Gent, voerde ze het woord op een vergadering met ongeveer 35 leden van de socialistische partij in de Antwerpse volksbuurt Berchem, leverde ze een bijdrage op een door de Universiteit van Leuven georganiseerde studiedag over racisme en xenofobie in Europa, en getuigde ze in Brussel voor een enkele maanden geleden opgerichte parlementaire onderzoekscommissie naar vrouwenhandel.

In Gent wijst ze op de problemen van de illegalen en hekelt ze de opstelling van de autoriteiten, die net doen alsof er in Brussel niet overal illegalen tegen hongerlonen aan het werk zijn, of die, zoals veel hoge EG-functionarissen, zelf illegalen in dienst nemen. Tegen de katholieke schoolbestuurders in de zaal: “Mag ik aandacht vragen voor de kinderen van illegalen? Ze leven, ze ademen, ze hebben opleiding nodig. Alstublieft, weiger hen niet omdat ze illegaal zijn. Elk kind heeft recht op onderwijs. Ook de ministers zijn daarmee akkoord, maar ze durven het niet openlijk te zeggen omwille van de publieke opinie. Ga hen voor.”

In Berchem veegt ze de vloer aan met twee Antwerpse hoogleraren die haar verwijten dat ze met haar streven naar "integratie' tussen autochtonen en allochtonen geen respect toont voor de culturele identiteit van migranten. “Ook het Vlaams Blok vindt dat de twee culturen niet samen kunnen leven. Dat is de klok terugzetten naar het uur nul”, fulmineert ze. “Die twee hebben maar één soort werk te doen: dat is een boekje schrijven. Mij vroegen ze een harmonieuze samenleving te helpen ontwikkelen: denken, schrijven en in de praktijk brengen. Dat is het verschil tussen de praktijk en de wetenschap.”

In Leuven haalt ze fel uit naar de EG. De economische crisis heeft het “kunstmatig welgevoelen” in Europa ontmaskerd. “De demonen van racisme en nationalisme zijn weer opgedoken. Ze slaan dood en ellende over Europa's gronden”, zegt ze. “We moeten openlijk toegeven dat we fout zitten. Wanneer we voorrang verlenen aan commerciële uitwisseling boven het uitwisselen van gedachten en personen, grenzen opheffen zonder de sociale situatie van alle inwonenden te verbeteren, individuen categoriseren in plaats van ze te verenigen, dan betekent dit geestelijke en emotionele armoede.”

En tegenover de Kamercommissie zegt ze dat de dienst Vreemdelingenzaken niet meewerkt in de strijd tegen de vrouwenhandel, dat de politiediensten langs elkaar heen werken en dat er wordt geklaagd over corruptie en lekken. Aan het eind van haar betoog overhandigt ze de voorzitter van de Commissie een aantal enveloppen met namen van functionarissen die willen getuigen. Daarmee haalt ze 's avonds zonder problemen het televisiejournaal.

Paula D'Hondt is, hoewel ze aan het einde van haar carrière staat, nog steeds angry, dat is duidelijk. De afgelopen jaren is ze er wel achter gekomen dat de Belgische samenleving minder tolerant is dan ze vermoedde, dat het racisme groeit. “Het grote cliché dat men hier in België hanteert, en die ik veel minder terugvind in Nederland, is: waarom moeten wij ons aanpassen aan hen? Zij moeten zich aanpassen aan ons. En als je daar dan dieper op ingaat, voelt ge dat ze eigenlijk niets anders willen zeggen dan: zij zijn een storend element in onze samenleving. In wezen komt het neer op het niet-accepteren van de ander, op het ontbreken van respect voor de ander.”

Opvallend is, zegt D'Hondt, dat de vreemdelingenhaat de afgelopen jaren juist is gegroeid in de buurten waar doorgaans geen migranten wonen. In sommige villawijken. In de rijkere buurten waar de bourgeois wonen, de parvenu's, sorry dat ik het even zeg”. “Die mensen zeggen: ze moeten zich maar aanpassen aan ons. Mevrouw D'Hondt moet maar zorgen dat onze steden veiliger worden. Dat zijn de mensen die nog nooit een zwarte medemens hebben gezien.”

Maar de koninklijk commissaris blikt niet ontevreden terug op de voorbije periode. Door het werk van het commissariaat is het migrantenprobleem in België bespreekbaar geworden, en zijn tegelijkertijd de meningen in de samenleving scherper tegenover elkaar komen te staan, stelt D'Hondt vast. Het belangrijkste winstpunt is volgens haar dat een brede maatschappelijke beweging op gang is gekomen om de tolerantie te bevorderen. Besluitvormers, kerken, vakbonden, sociale bewegingen, het welzijnswerk, bijna iedereen zet zich in tegen de vreemdelingenhaat.

Ook bij de overheid is verandering van houding merkbaar. “Géén vijf ministers hebben mijn rapporten gelezen”, sprak Paula D'Hondt twee jaar geleden. Dat is inmiddels wel verbeterd, zegt ze nu. “Ik denk dat mijn rapporten de basis zijn geworden van discussie en actie.” Er is een begin van een beleid ontstaan. In steden zijn projecten op poten gezet om de integratie van migranten te bevorderen, er gaat meer geld naar huisvesting, politiemensen krijgen bijscholing en de houding van gemeentebesturen verandert. De situatie in Brussel, waar in mei 1991 rellen ontstonden met migrantenjongeren, en in Antwerpen is niet meer zo explosief als in het verleden, denkt D'Hondt.

Toch is de koninklijk commissaris teleurgesteld over de politici in haar land. Ze komt er een aantal keren op terug in het gesprek: er gaapt een diepe kloof tussen de politieke klasse in België en de gewone man in de straat. Politici in België doen wel volop aan "politiek dienstbetoon' door individuele burgers gunsten te verlenen - “ook ik heb dat gedaan” - maar dat is wat anders dan een goed beleid voeren, zegt D'Hondt. Door via het politieke dienstbetoon individuele stemmen te kopen, heeft de Belgische politicus zijn waardigheid verloren, oordeelt ze hard. “De mensen in de steden, in de buurten met samenlevingsproblemen, voelen zich eenzaam en verlaten van het politieke veld”, heeft ze tot haar eigen verbijstering ervaren.

Premier Dehaene en zijn ministersploeg hebben wel belangstelling voor het migrantenprobleem en het probleem van de verpaupering in de grote steden, maar telkens zijn er weer andere actuele problemen die de aandacht opeisen - de budgetbesprekingen, maar vooral de staatshervorming die steeds weer terugkeert op de politieke agenda en die veel energie wegzuigt. Achter gesloten deuren worden ingewikkelde compromissen bedacht om het samenleven van de Vlamingen en Walen in vrede te kunnen garanderen. Communautaire spitstechnologie die met wellust wordt beoefend en die de lethargie tot gevolg heeft van een groot deel van de bevolking, aldus D'Hondt.

“U kunt eigenlijk zeggen: het communautaire probleem van België is een probleem van de politieke klasse. Wat mij treft, is dat het gewone volk er steeds minder over praat. In de wijken in Antwerpen waarin men in groten getale op het Vlaams Blok heeft gestemd, zegt men tegen mij: "mevrouw, laat ons met de echte problemen bezighouden en niet met onnozele problemen'. Welke onnozele problemen? "Nou, dat communautaire gedoe.' Bij het gewone volk leeft dat probleem niet, terwijl diezelfde mensen, o ironie, voor het Vlaams Blok stemmen die het seperatisme nastreven en die de communautaire tegenstellingen op de spits willen drijven.”

Het electorale succes van het Vlaams Blok heeft vele politici in Vlaanderen “geparalyseerd”, zegt D'Hondt. Er zijn gunstige uitzonderingen. Partijvoorzitter Van Rompuy van de CVP nam afgelopen najaar openlijk afstand van het Vlaams Blok. In het Vlaamse parlement werd een motie tegen het Blok aangenomen. Maar toch weerhoudt “de enorme vrees voor de kiezer” veel politici en parlementsleden ervan openlijk stelling te nemen tegen de racistische tendenzen in de maatschappij. “Ik zeg het zo vaak: kom toch uit uw verstevenheid, uit uw krampachtige houding. Dat is mijn boodschap.”

En, zegt ze: “De maatschappij wordt kleurrijker. Jullie Lubbers kan dat openlijk zeggen. Maar dat komt nooit over de lippen van onze politici.”