Uit logeren in Novi Sad; Servische provinciestad beheerst door de oorlog van de schimmen

Het vriest in Novi Sad, maar de inwoners beleven deze weken als de laatste dagen van de zomer. Terwijl het land op de grens van oorlog en vrede balanceert, glibberen de kinderen met hun rugtassen over de bevroren sneeuwhopen naar school, de winkeliers draaien hun rolluiken open, de meisjes maken zich op, de leraren beginnen kuchend en mopperend hun lessen, de treinen fluiten, de fabrieken draaien en het eerste gesis van het espresso-apparaat klinkt in de holle ruimte van coffeeshop Sax iedere ochtend weer als een veelbelovend begin van de dag.

In de Servische provinciestad Novi Sad is in deze winterse weken van het jaar 1993 ogenschijnlijk niets aan de hand. Je zou bijna denken dat het een maand februari was als iedere andere, als de elektriciteit niet op de vreemdste momenten uitviel, als het achter de donkerrode muren van het ziekenhuis niet vol had gelegen met gewonde en geamputeerde soldaten en als de radio niet de hele dag frontberichten had uitgezonden.

In deze stad, achter het front, heerst de phoney war, de oorlog van de schimmen. Bijna iedereen heeft wel een zoon, broer of vriend verloren, aan het leger of aan het buitenland. 's Avonds en 's nachts voeren sigarettensmokkelaars en gek geworden soldaten in de lege straten hun privé-gevechten. In de mensa van de universiteit hangt de eeuwige, doordringende lucht van kool, maar het is er tenminste warm. Jongens en meisjes, vaak vluchtelingen uit andere delen van het land, zitten in een hoek te lezen, andere studenten staan in de rij voor hun dagelijkse bord soep, de gezichten smal en wit.

De inflatie is zo onvoorstelbaar dat veel mensen er alleen nog maar lacherig over kunnen praten. Een pakje sigaretten werd binnen een week anderhalf keer zo duur en kost nu bijna net zo veel als een onderwijzer in normale tijden per maand verdient. Alleen degenen die dieselolie gehamsterd hebben, kunnen nog autorijden. Iedereen leeft zo'n beetje van z'n spaargeld, ruilt in natura, of leent van een rijk familielid.

Ook de populairste cafés en restaurants zijn de afgelopen maand opeens stil gevallen. Op plekken waar het altijd stampvol zat zijn de stoelen en tafels leeg, en het is die plotselinge uittocht van praten en lachen die de mensen van Novi Sad nog meer angst aanjaagt dan alle inflatie bij elkaar. Iedereen werkt en winkelt, en de modderige bussen rijden hun dienstregeling zoals altijd. Maar er hangt, zeggen de studenten in café Sax, een sfeer van "doen alsof' in de stad, en we weten allemaal beter.

Kosmopolitisch

Wie 's ochtends in Amsterdam in de trein stapt is binnen vierentwintig uur in Novi Sad, met maar één keer overstappen. ""Een onafzienbare met sneeuw bedekte vlakte, hier en daar zwarte stroken van omgeploegde akkers tussen het wit van de sneeuw, en op de voorgrond een kale knoestige stam waarop een groepje verkleumde kraaien ineengedoken zit,'' zo beschreef de vermaarde Joegoslavische schrijver Danilo Kis het uitzicht uit de trein richting Novi Sad anno 1942. Wie vandaag naar de stad spoort ziet uit zijn raam niets anders. Pannonië heet deze streek hier. In de dorpen hangt de rook van kolenkachels en uit het witte landschap steken de puthaken omhoog als galgen.

Ik ben naar Novi Sad gegaan omdat ik er een paar mensen ken, maar van de stad zelf wist ik weinig. Ik wist dat het op een kruispunt van landen lag, ingeklemd tussen Servië, Kroatië, Hongarije en Roemenië, dat het altijd heeft gegolden als een tolerante, elegante en kosmopolistische stad en dat onder andere Danilo Kis er vandaan kwam - de auteur van "Kinderleed', "Zandloper' en andere prachtig geschreven jeugdherinneringen waarin de stad een belangrijke rol speelt. Ook had ik gehoord dat er rond de eeuwwisseling een meisje Maric woonde, dat later zou trouwen met een zekere Albert Einstein. Maar veel verder gingen mijn informaties niet.

Novi Sad is vooral een doorsnee provinciestad in Servië, bevolkt met heel gewone mensen. Niks beschoten, niks rampen, maar natuurlijk wel de hele rest.

""Welcome in the twilight zone'', roepen de kennissen van mijn vrienden als ik binnenkom. Het is zondagmiddag en iedereen heeft zich verzameld in de flat van een filmer, die tegelijk zo'n beetje zijn studio is. Terwijl hij met een collega bezig is een surrealistische videoclip te monteren, zit de rest van het gezelschap te drinken en sigaretten te roken. In de hoek van de bank zit een jongen die net terug is van het Bosnische front. Hij wordt een beetje meewarig aangekeken en zal al die uren geen woord zeggen.

We praten over de boycot, die volgens alle aanwezigen alleen maar de nationalisten van Milosevic in de kaart heeft gespeeld. Zonder boycot zou de Joegoslavische economie volgens hen een paar maanden later uit zichzelf ineengeklapt zijn, maar nu kreeg Milosevic opeens een ideale mogelijkheid om de ineenstorting van zijn ecomonie te wijten aan de slechte krachten in het buitenland. ""Een boycot maakt, net als een oorlog, geen onderscheid tussen goed en kwaad. Sterker nog: de democratische oppositie heeft er nog het meeste last van,'' zegt de jonge eigenaar van een advertentiebureau. ""Wie de macht heeft, heeft immers de reserves.''

Niemand verwacht overigens dat het zo nog lang kan doorgaan. ""Er komt nog een tijd,'' zeggen de plaatselijke intellectuelen die hier sigaretten zitten te roken, ""dat we nog terug zullen verlangen naar die goede, oude, fatsoenlijke Milosevic, die zijn politieke tegenstanders tenminste niet op de straathoeken doodschoot.

De videomontage toont da-da-achtige taferelen, geroep, geschreeuw, parodieën op leiders en massa's, een vrouw die jammerend het lied aanheft: "Nooit gaat Servië verloren'. ""We leven hier als in Berlijn in 1934,'' zegt een journaliste. ""Zullen we gaan of het nog even aanzien, iedereen hier heeft het sinds de verkiezingen over niets anders meer.''

Bekende burgers

Met wie kunnen we allemaal kennismaken in Novi Sad? Danilo Kis levert een pagina's lange lijst met bekende burgers uit het jaar 1942.

Bijvoorbeeld de heer Dragutin Floriani, gerechtsassessor, die in 1924 in een simultaanpartij over negen tafels de kampioen van Boedapest Otto Titusz Bláthy versloeg. Of een zekere Sandor, achternaam onbekend, die drie liter rosé achter elkaar kon opdrinken. Of de heer Maxim Freud, geneesheer-directeur van het ziekenhuis, die op 24 januari 1942 werd gefusilleerd en wiens hersenen, buiten de schedel, een hele dag op de hoek van de Miletic en de Grckoskolska-straat in de papperige sneeuw lagen. Of de heer Paja Schwartz, bijgenaamd Herz Schartz, die ze met een bijl de hersens hebben ingeslagen en die vervolgens in de Donau is gegooid. Of mevrouw König, onderwijzeres, die verkracht werd door Hongaarse soldaten en daarna doodgestoken met bajonetten. Of de heer Josip Kostic, magazijnbediende op het station, die vreemde verzen schreef over het einde der tijden. En zo gaat Kis nog vier bladzijden door.

Vandaag de dag liggen Osijek en het platgeschoten Vukovar hier nauwelijks een uur rijden vandaan, de grens met Kroatië is om de hoek en Timisoara, aan de Roemeense kant, is gemakkelijk in een middag te bezoeken, uit en thuis. Maar de burgers van Novi Sad hebben zich teruggetrokken achter de hekken van hun binnenplaatsen, in hun flats en naast hun tegelkachels. Ook voor hen speelt, net als elders in de wereld, de oorlog zich voornamelijk op het tv-scherm af.

Ik was op bezoek gevraagd bij de familie van mijn tolk. Onder het eten vertelde haar vader hoe hij drie jaar geleden, in een impuls, een pistool had gekocht. ""Iedereen op mijn kantoor begon dat opeens te doen en waarom ik dan niet?'' Hij heeft het ding twee keer meegenomen naar zijn werk, daarna verdween het, weggestopt in een la. ""God behoede dat ik het ooit zal gebruiken,'' zegt hij nu. Voor hem is er slechts één keuze: chaos, of terug naar het oude Joegoslavië. Maar, zegt hij emotioneel, wij Serven zijn geen schurken. Die oorlogsmisdaden, het is allemaal propaganda.

Na de maaltijd wordt het tv-nieuws aangezet, een uitzending die tot anderhalf uur kan uitlopen. Handige elektronische kaarten tonen de verschuivende fronten alsof het om een weerbericht gaat, in de beschouwingen wordt verwezen naar bloed, bodem en Servische ridders uit de Middeleeuwen, de gruweldaden van de Kroaten en Bosniërs worden tot in alle details getoond, die aan de Servische kant blijven ongenoemd. Mijn tolk vertaalt alles simultaan, ook de uitlatingen van haar vader, maar langzaam verliest ze haar professionele discipline en lardeert ze haar vertalingen steeds meer met losse opmerkingen als: ""althans, volgens mijn vader...'', ""zo denkt tenminste de generatie van mijn vader...'', ""wat natuurlijk onzin is....'' Tenslotte is alle vertaling gestaakt en zitten vader en dochter schreeuwend tegenover elkaar.

""Zo gaat het bijna iedere avond,'' zegt ze later. ""Bijna al mijn vrienden hebben ruzie met hun vaders. Onze vrienden en vriendinnen wonen in Zagreb, Pnin, Sarajevo. Dit is een oorlog van oude mannen, niet van ons.'' We bladeren door haar fotoalbum. ""Kijk,'' zegt ze, ""al die mensen die je op deze foto ziet zijn nu weg, op twee na.'' Ik zie een foto van een tuinfeestje, met zo'n twintig jonge mensen, het wijnglas vrolijk geheven. Datum: 10 oktober 1990. Ze wijst haar vrienden één voor één aan: ""Die zit in Zwitserland, die twee wonen in Italië, die in Parijs, die is naar Noorwegen gegaan, die zitten in Holland, die in Duitsland, en mijn vriend woont nu in Hongarije.'' We bladeren door. ""Dit zijn de laatsten die weggingen,'' zegt ze. ""Afgelopen zomer was dat. We hebben met z'n vieren nog een afscheidsfeestje gehouden, de avond voor ze vertrokken. Daarna heb ik geen foto's meer genomen.''

Gedenkteken

De straathoek waar op die 24ste januari van het jaar 1942 de hersens van geneesheer-directeur Freud op een sneeuwhoop lagen, is nu omringd door moderne flats, winkels en boetieks. Er is een klein gedenkteken. Die nacht zijn zeker tweeduizend inwoners van Novi Sad door Hongaarse fascisten opgepakt, neergeschoten of in een groot wak gedreven, in de ijskoude Donau, waarna ze door de stroom werden meegevoerd en schreeuwend onder het ijs verdwenen, mannen, vrouwen en kinderen. Mensen stonden in de rij op hun executie te wachten. De meeste lijken zijn nooit meer teruggevonden, weggevoerd naar de zee of waarheen dan ook. Nog ieder jaar wordt die gebeurtenis herdacht bij het grote monument aan de rivier en ieder jaar worden er kransen en bloemen in de rivier gegooid, de laatste jaren meer dan ooit.

Nu heeft dit verhaal een vervolg dat meestal niet verteld wordt. Twee jaar later, toen het tij van de oorlog gekeerd was, namen de partizanen wraak door een grootscheepse klopjacht te houden op de Hongaarse bevolkingsgroep van de stad. De werkelijke schuldigen aan het bloedbad uit 1942 hadden uiteraard allang hun biezen gepakt, zodat er in die nacht der wrake in 1944 zeker een duizendtal totaal onschuldige Hongaren de dood is ingejaagd. Daarvoor is nooit een monument opgericht en in Novi Sad vergeten ze die episode maar liever.

""Zo is het altijd geweest,'' zei de student in café Sax die me dit verhaal vertelde. ""In 1942 was het 1-0 voor de Kroaten, in 1992 werd het 1-1.''

""De paniek komt in golven,'' vertellen zijn vrienden. Ze voelen zich momenteel redelijk veilig. Maar vooral in het begin, in oktober 1991, toen de oorlog opeens vlakbij kwam, heersten er chaotische toestanden onder de jeugd van de stad. Scholen, universiteitskantines, jazz-cafés, alles stroomde leeg. Veel jongens vluchtten de wilgenbossen in, even buiten de stad, aan de rivier, en de meisjes kwamen hen daar 's avonds opbeuren met eten en dekens en ander gerief, en ze fluisteren nog over de orgieën die daar toen plaatshadden, want het kon iedereen toch niets meer verdommen, ze gingen toch allemaal dood, dachten ze.

Ik werd voorgesteld aan de schrijver László Végel, een vriendelijke, vierkante man. Hij was net terug uit Boedapest en hij zat zich aan een van de tafels te bezinnen op de toekomst. Hij was die week de laan uitgestuurd door de directeur van de televisie van Novi Sad, in het kader van de politieke zuiveringen die het nieuwe bewind nu in snel tempo doorvoert. Zijn vriend György Konrád had hem aangeraden om te beginnen met de aanschaf van een nieuw jasje, om de moed erin te houden en om die lui in Novi Sad te laten zien dat hij zich niet liet kisten.

László Végel leidde jarenlang een dubbelleven. Als eerzaam dramaturg verdiende hij de kost bij de tv van Novi Sad, maar ook is hij een prominent Joegoslavisch schrijver van Hongaarse afkomst. Bij de verkiezingen was hij lid van de commissie van onafhankelijke waarnemers die, ingesteld door het Joegoslavische parlement, onder andere felle kritiek leverde op de eenzijdige berichtgeving van de Servische televisie. Dat laatste heeft hem nu waarschijnlijk zijn baan gekost. Hij schampert over de "lompen-intellectuelen' die alle macht hebben overgenomen, de mensen die zich ""in één nacht van tweederangs partij-ideoloog tot anti-communist bekeerden''. ""Ze willen het laagste in de mens wakker maken, en hun belangrijkste hulpmiddel daarbij is een vloed aan politieke en intellectuele kitsch.'' Végel meent overigens dat zij het ook niet zullen redden. Er komen nieuwe groepen op, partijen die openlijk de oorlog zullen verklaren aan "verraders' en "zwakke Serven'. ""Binnen één, twee maanden zal de economie hier compleet in elkaar storten,'' voorspelt hij. ""En binnen één, twee weken breekt de hysterie los.''

Buiten word ik aangeklampt door een man. Hij grijpt me vast en in gebrekkig Engels zegt hij dat ik die lui in het Westen moet vertellen dat ze warm ontvangen zullen worden, dat hij zich zelfs verheugt op hun komst en dat het motherfuckers zijn.

Brief

Ik vond een lange brief die een kennis in mijn jaszak gestoken had, een Kroatische vrouw. Ze waarschuwde me in bepaalde zaken voorzichtig te zijn. Tot slot schreef ze:

""Ik had een droom waarin er geen oorlog was. Ik ademde de frisse lucht van de Sloveense sneeuw in, ik at het brood van Kroatië, ik dronk Bosnische wijn, ik zong liederen uit Servië en ik lag op de prachtige vlakten van Vojvodina. Het was mijn land, het was mijn thuis. Achtentwintig jaar lang leefde ik in een prachtig land en nu, na slechts twee jaar, zeggen ze tegen mij dat dat verbeelding was, onzin, illusies. Alleen: achtentwintig jaar is geen illusie voor mij. Mijn vader is geboren in dat denkbeeldige land en mijn grootvader ook. Hoe kan dat dan verbeelding zijn?'' Ze had de brief moeizaam geschreven, bijna ieder woord in het woordenboek moeten opzoeken.

Ze woont met haar man in een huis aan de Donau en in haar buurt maalde tot voor kort niemand erom of je Serf of Kroaat was. Toen kwam de oorlog. Het gedreun van de slag om Vukovar werd met het water van de rivier meegedragen tot in hun huis, als het donderen van een ver onweer, iedere nacht opnieuw. Bij de boomgaard van de buren was op een ochtend het lichaam van een jonge soldaat aan komen drijven, opgezwollen als een oude zak. En toen ze de poort van het kasteel opnieuw in de witkalk wilden zetten - het gebeurde allemaal in dezelfde tijd - kwamen uit alle hoeken en gaten van de stenen slangen gekropen, honderden slangen van een soort dat ze hier nog nooit eerder hadden gezien. ""Ik wil hier weg,'' fluistert ze, ""maar we weten niet hoe, met een kind van vier, waar moet je een nieuw huis vinden en werk?'' Naar Kroatië wil ze voor geen goud. ""Als ik een vreemdeling moet zijn, dan ben ik het nog liever in China.''

We gingen bij haar familie op bezoek. De Music Box van MTV stond, zoals overal hier, permanent aan. Een Kroatische kennis was net terug van het front, hij was stil en bedrukt, net als alle andere veteranen die ik sprak. In Vukovar was hij met paar andere soldaten losgeraakt van zijn eenheid, ze hadden geen verbindingen en officieren meer, zes dagen lang hadden ze geschoten op alles wat bewoog, Serf of Kroaat, het halve lichaam van zijn beste vriend had hij nog uit een tank getrokken. ""Niemand van ons was dapper,'' fluisterde hij. ""Iedereen was alleen maar schijtende bang.''

De andere mannen dronken intussen het ene glas zelfgestookte raki na het andere en voerden in gebrekkig Engels het hoogste woord. ""We are Balkan here,'' riepen ze en wezen op hun eigen hoofd. ""Balkan! We always bang-bang! Sorry for that!''

Zwarte wereld

We moeten het nog eens hebben over het geld in Novi Sad. De inflatie die er op dit moment heerst is vermoedelijk sinds de Republiek van Weimar niet meer vertoond. Het geld stroomt net zo hard door de stad als de rivier de Donau. Drie jaar geleden werd op de zwarte markt negen of tien dinar voor een Duitse mark betaald, nu zevenduizend. De kassa's puilen uit met vreemde, nieuwe bankbiljetten die morgen alweer waardeloos zijn, en dat geeft het bestaan een koortsige gloed, iets halfdronkens, iets op de grens van het surrealistische. Stelt u zich voor: voor een kopje koffie dat vorige zomer op het Leidseplein een rijksdaalder kostte moet je nu drieduizend gulden neertellen en morgen kan het best vijfduizend zijn, wat maakt het dan nog uit allemaal?

Het enige waar iedereen zich aan vastklampt is de Duitse mark, een munteenheid die de burgers van Novi Sad haten en aanbidden tegelijk. Maar verder verliest alles zijn waarde. Truien, broeken, ijskasten, bedlampjes, horloges, make-up, parfums, de winkels liggen vol luxe, maar het heeft op een of andere manier zijn betekenis verloren.

Naarmate de druk van de boycot meer voelbaar wordt rukt de zwarte wereld op. In Novi Sad heerst op dit moment geen officiële oorlog, maar wel een onofficiële. Een jongen van amper zestien stapte met me een winkel in om een ballpoint te lenen, twee enorme anti-tankgranaten aan zijn riem. Hij bracht de pen keurig terug. Iedere avond wordt er wel een bar overvallen, iedere nacht knallen er schoten in de straten. Het zijn de bendes van de nieuwkomers, de vluchtelingen, die in deze weken permanent slag leveren met de gevestigde onderwereld van Novi Sad. De stad is stampvol wapens en de gangs hebben bovendien duizenden handgranaten en machinegeweren uit het leger meegepikt.

Nickey, de jeugdvriend van een goede kennis, is een typisch voorbeeld van de nieuwe klasse van rijkgeworden sigarettensmokkelaars. We treffen hem in de duurste seks-disco van de stad, waarvan hij de eigenaar is. Op het toneel dansen Oekraïense meisjes in zwarte en witte lingerie, uit de luidsprekers klinkt ritmisch gehijg, ze glijden tegen een paal heen en weer en op het hoogtepunt komt er uit een rookmachine een pluimpje witte damp.

Nickey is nog geen dertig, hij is stevig en rond en vanonder zijn sportjasje steken de kolven van zeker drie pistolen naar buiten. Zijn carrière was kort maar hevig: kampioen judo van Joegoslavië, de oorlog tegen Kroatië, vorig jaar gewond aan zijn schouder, lijfwacht van deze en gene, en nu heeft hij zelf een zaak. Volgens zijn vrienden heeft hij de meisjes die hier dansen ergens in Rusland gekocht, voor tweeduizend mark per stuk, maar zelf zegt hij dat ze vrijwillig werken, op provisiebasis. ""De middenstand is verdwenen in deze stad,'' zegt hij. ""Er zijn nog maar twee klassen: degenen die eronder doorgaan en degene die boven water blijven.'' Hij hoopt op de komst van VN-troepen, of een Amerikaanse interventie, want hij moet het voornamelijk hebben van buitenlandse bezoekers. Het zijn moeilijke tijden, hij had liever wat anders gedaan, maar wat moet je. ""Iedere middag dat ik hier binnenstap is het alsof ik een kolenmijn in ga.''

Rollenspellen

Mijn laatste avond in Novi Sad bracht ik door bij een echtpaar, opnieuw vrienden van vrienden. Zij is schoolpsychologe, hij is lector aan de universiteit.

Zij zit iedere ochtend om kwart over vijf in de bus. Ze begeleidt een twintigtal vluchtelingen uit Bosnië, middelbare scholieren die door de oorlog in de omgeving van Novi Sad verzeild zijn geraakt, Serviërs, maar ook moslims en Kroaten. Ze werkt met allerlei rollenspellen en zogenoemde "geleide fantasieën', ze probeert iets van hun waarden en groepsgevoelens terug te roepen, maar in haar omgeving is er niemand die enige kennis bezit op het gebied van dit soort trauma-verwerking.

Ze vertelt hoe ze de kinderen voor het eerst iets liet vertellen over zichzelf en over hun familie. Een moslim-meisje begon te vertellen over haar broertje, maar al snel barstte ze in tranen uit, ze begon zelfs te schreeuwen en tot haar schrik begon iedereen toen te huilen. ""Zelf stond ik ook op het punt in tranen uit te barsten. Ik zei: het enige dat ik jullie kan bieden is om mijn armen tien meter langer te maken en jullie allemaal te omhelzen.''

Vorige week maandag had haar school een brief gekregen van het ministerie van cultuur, waarin gevraagd werd om de nationale achtergrond van alle leraren. Eskimo had ze opgegeven, maar toch. Hij zegt: ""Al onze vrienden hebben ongeveer dezelfde ideeën over goed en kwaad, maar het angstwekkende is dat we nog maar een kleine minderheid zijn. Ons idee van moraal is in de ogen van de de meerderheid in dit land totaal belachelijk geworden.'' Ze denken erover om te vertrekken, maar hoe en waarheen? Nieuw-Zeeland? Zou Zimbabwe iets zijn?

Danilo Kis woonde tijdens de oorlogsjaren aan een spoordijk, waar, zo schreef hij, de treinen zoveel verlangen naar de verte opriepen, naar de verlossing van angst en honger, dat hij en zijn broertjes en zusjes in de kamer begonnen te wonen als in een treincoupé. ""De hele dag zaten wij achter de gesloten gordijnen, met dekens om ons heen geslagen, naast elkaar te dromen, alsof we op reis waren.''

De dag daarop reden we over diezelfde spoordijk weg uit Novi Sad, terug, de witte vlakte met de galgen in.

Met dank aan de VPRO-radio.