Qins terracotta-soldaten gekopieerd

Tentoonstelling: De Onsterfelijke Keizer Qin. T/m 17 april in het Koninklijk Legermuseum, Bordiaux Hal. Jubelpark/Parc Cinquantenaire 3, Brussel. Dag. 9-17u beh. ma. Inl. 09-322-732.3472

Het Brusselse Legermuseum is een rariteitenkabinet. De driewieler van Leopold II, diens (hemel)veldbed en gala-uniformen staan er in slagorde opgesteld onder tientallen verstofte vaandels. Aan de muren in boeketten geschikte sabels en speren. Vitrines waarin de gewaden van derwisjen, Egyptische politie-commissarissen, Boxer-opstandelingen en andere militaire exotica wegkwijnen. Het is de rommelzolder van het Belgische koloniale verleden: "de Belgen in Italië', "de Belgen in China' - zonder gêne staan de medailles, wapens en parafernalia uit het imperialistische tijdperk tentoon. Is in Nederland eigenlijk nog ergens het uniform van Van Heutz te bezichtigen of de karabijn van Westerling? Voor wie tegen de klamme geur van mottenballen, vilt, boenwas en de pislucht uit de aanpalende toiletten kan, fascinerend om in rond te dwalen.

Tot 18 april is er in de belendende Bordiaux Hal een speciale tentoonstelling die minstens even curieus is als de vaste expositie: "De onsterfelijke keizer'. Het betreft een reconstructie van het zogeheten keizerlijke dodenleger uit de Qin-dynastie, de vermoedelijk grootste archeologische vondst ooit gedaan. Het ging daarbij om de ontdekking in 1974 van ongeveer zevenduizend aardewerken beelden op ware grootte van soldaten, in slagorde in ondergrondse gangen opgesteld. Het is een compleet leger met officieren, voetvolk, boogschutterij, ruiterij en strijdwagens. Ze maken deel uit van het graf van keizer Qin Shi Huangdi (233- 210 v.Chr.), die volgens de overlevering de eerste grote "eenmaker' van het Chinese keizerrijk is geweest.

In China kan het dodenleger in de oorspronkelijke gangen worden bezocht: de vindplaats is met een enorme hal overkoepeld. Een enkele keer worden individuele beelden aan buitenlandse musea uitgeleend. In Brussel zijn echter uitsluitend kopieën op ware grootte te zien van een kleine groep krijgers, in combinatie met een enorme maquette van de gehele vindplaats.

Is dit nu de moeite waard? Aanvankelijk wordt de bezoeker door een zekere lacherigheid bevangen als de verduisterde "onderaardse' gang moet worden betreden, waarin de groep krijgers staat opgesteld. Het eerste toneel omvat de groep in "originele' staat - fel beschilderd, en geheel gaaf. Het tweede toneel toont de ravage die werd aangericht door generaal Xiang Yu, vier jaar na de dood van Qin Shi Huangdi. De "beelden' zijn kapotgeslagen, de paarden onthoofd, de houten stutten geblakerd. Een impressie in bordkarton en papiermaché: de nachtmerrie van een poppendokter. Om de hoek treft de bezoeker de reconstructie van de archeologische vindplaats van dezelfde groep. Nu zijn er kruiwagens en kisten met stro verschenen - er staat een tent, waarin men de Chinese archeologen kan vermoeden. Daar aangekomen heeft men het gevoel beentje te zijn gelicht. Een kitscherige kijkdoos was het, die niets toevoegt aan het beeld van het dodenleger dat alom bekend is uit film en foto's.

Van dit sentiment raakt men echter genezen bij een blik op de maquette, een trap hoger. Over de volle lengte van de Bordiaux Hall staan zevenduizend miniatuur-soldaten in slagorde. In combinatie met geluid- en lichteffecten vertellen dia's het verhaal van het dodenleger. Pas dan wordt de bezoeker gegrepen door de omvang van de beeldengroep en daarmee door het zelfbeeld dat keizer Qin Shi Huangdi koesterde. De man die de Grote Muur als nieuwe grens van het Verenigde Qin-rijk liet bouwen, die steeds zocht naar het levenselixir omdat hij zich onsterfelijk wenste, liet zich in zijn dood vergezellen door een terracottaleger dat de macht en rijkdom weerspiegelde waar hij bij zijn leven aan gewend was. Zijn graf was een onderaards paleis, waarvan de locatie bekend is, maar dat nog altijd moet worden uitgegraven.

Wie aan de balustrade van het Legermuseum enige tijd heeft staan wegdromen bij de Onsterfelijke Keizer krijgt zin om het begin van de route nog eens te lopen en zich ècht te verdiepen in keizer Qin. Daar wordt een korte geschiedenis van de Qin-dynastie gegeven, geïllustreerd met niet onaardige pentekeningen. De expositie opent zo effectief de ogen voor een stuk intrigerende Chinese geschiedenis. Overigens zijn de begeleidende teksten (ook in de catalogus) in het voor Brussel typerende beroerde Nederlands. Het Frans schemert er aan alle kanten doorheen. “De verwezenlijking van zijn 38 regeringsjaren houdt men niet voor mogelijk”. Inderdaad.