POL POT; Een bloedige saloncommunist

Brother Number One. A Political Biography of Pol Pot door David P. Chandler 254 blz., Westview Press 1992, f 59,75 ISBN 0 8133 0927 1

Tijdens het schrijven van Brother Number One, zijn biografie over de Cambodjaanse dictator Pol Pot, had David P. Chandler vaak ""het onaangename en frustrerende gevoel' dat zijn hoofdpersoon hem bij zijn werk begluurde. Volgens hem is dat typerend voor de indruk die Pol Pot als zelfbenoemd "instrument van de geschiedenis' achterlaat: iedereen bespioneren en ondertussen in het geheim zijn eigen revolutie uitvoeren.

David Chandler is een Amerikaan die sinds 1972 doceert aan de Monash-universiteit van Melbourne en daarvoor acht jaar in de diplomatieke dienst werkzaam was. Hij heeft een moedige poging ondernomen als eerste het leven te beschrijven van de mysterieuze maoïst van Cambodja. Hoewel Brother Number One weinig nieuwe feiten oplevert en een aantal grote vraagtekens niet weet weg te nemen, wordt de levensloop van Pol Pot helder en goed gedocumenteerd weergegeven. En dat is moeilijk genoeg, want in tegenstelling tot andere revolutionaire voormannen als Lenin, Stalin en Mao Zedong, schiep Pot er een permanent behagen in zijn eigen identiteit zo veel mogelijk te verhullen.

In januari 1976, driekwart jaar nadat de Rode Khmer aan de macht was gekomen in Cambodja, werd in Phnom Penh bekendgemaakt dat een ""vertegenwoordiger van rubberarbeiders' genaamd Pol Pot premier was van het nieuwe Democratisch Kampuchea. Niemand in of buiten Cambodja had ooit van hem gehoord - later werd duidelijk waarom: Pol Pot was een vers pseudoniem van Saloth Sar, een bekende maar schimmige figuur die sinds 1963 secretaris-generaal van de tot 1975 clandestiene Communistische Partij van Kampuchea was.

Saloth Sar werd geboren in 1928 en had een relatief onbekommerde jeugd, die hij ten dele doorbracht aan het koninklijk hof in Phnom Penh (bij zijn nicht die danste in het koninklijk ballet). Het goede onderwijs dat hij in de jaren veertig en vijftig genoot, was aan weinig Cambodjanen voorbehouden. Vanaf 1942 bezocht Saloth Sars het elitaire Collège Norodom Sihanouk en tussen 1949 en 1952 studeerde hij in Parijs radio-electronica.

PARANOIA

De grote ommekeer in het leven van Saloth Sar / Pol Pot moet tijdens het verblijf in Frankrijk hebben plaatsgehad. Hij stortte zich volop in de politiek, die toentertijd in Parijs op straat lag. Volgens studiegenoten raakte Sar onder de indruk van Jozef Stalin en zou hij door diens beruchte boek De Geschiedenis van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie geïnspireerd zijn geraakt een eigen communistische partij op te richten. Van Stalin erfde hij waarschijnlijk ook de paranoïa: niemand kon worden vertrouwd, zelfs de beste vrienden niet.

Maar de eerste raadsels waren er ook. Zo voegde Pol Pot zich in de zomer van 1950 bij de internationale jeugdbrigades in Joegoslavië, terwijl Tito net in aanvaring was gekomen met Moskou en de Sovjet-Unie toch zijn grote voorbeeld was. In 1952 werd hij vermoedelijk lid van de Franse Communistische Partij en in het jaar daarop, na zijn terugkeer in Cambodja, sloot hij zich aan bij de door de Vietminh gedomineerde Indochina Communistische Partij (ICP).

Saloth Sar voelde zich als een vis in het water temidden van de turbulente ontwikkelingen in Zuidoost-Azië. Zijn machiavellistische inborst blijkt uit het feit dat hij tot in de jaren zeventig veel materiële steun van Hanoi wist te verkrijgen, hoewel hij de Vietnamezen tot in het diepst van zijn ziel verachtte.

Chandler weet aannemelijk te maken dat de Chinese Culturele Revolutie Saloth Sar sterk heeft beïnvloed en van hem een overtuigde maoïst maakte. Hij bracht in 1966 geruime tijd door in China toen daar de rode jeugd het openbare leven terroriseerde met strijdkreten als ""permanente revolutie' en ""alle macht aan het volk'. Sar maakte de praktijk mee van vervolgingen en executies van "klassevijanden', gedeeltelijke ontruimingen van steden, "stormaanvallen' op de economie en het opheffen van rangen in het leger. Dat alles maakte waarschijnlijk een grote indruk op hem, en wat er tussen 1975 en 1979 in Democratisch Kampuchea gebeurde, was in veel opzichten een extreme uitvoering van het Chinese voorbeeld.

""Het is onzeker,' schrijft Chandler, ""of Sar ooit heeft geweten dat de Culturele Revolutie uitliep op een ramp, en misschien wist hij ook niet dat de Grote Sprong Voorwaarts was mislukt, laat staan Stalins collectiviseringsprogramma uit de jaren dertig.' Dat lijkt mij zeer onwaarschijnlijk. Pol Pot was een intelligente man die heel goed wist wat er in de wereld te koop was. Het ligt meer voor de hand dat hij de mislukte pogingen in de Sovjet-Unie en China om het "ultieme' communisme met geweld in praktijk te brengen juist als een uitdaging zag. Hij zou het beter doen en de ideale maatschappij realiseren naar de inzichten van Lenin en Marx (in geschriften van de Rode Khmer doorgaans "Max' genoemd), een maatschappij waar Stalin en Mao slechts van hadden gedroomd.

WILSKRACHT

Begin jaren zeventig huldigde Saloth Sar / Pol Pot ideeën die zo ontleend hadden kunnen zijn aan het werk van de Italiaanse marxist Antonio Gramsci, en vooral aan diens contrastering van het pessimisme van het verstand met het optimisme van de wil. Ook al spreken de omstandigheden tegen je, had Gramsci betoogd, de wilskracht overwint alles. Hoewel het onwaarschijnlijk is dat Pol Pot ooit Gramsci gelezen heeft, dacht hij in dezelfde geest. Na een overwinning in december 1971 op het regeringsleger van generaal Lon Nol zei hij: ""De vijand was veel sterker dan wij, waarom hebben wij de vijand dan verslagen? Deze belangrijke zege was een overwinning van de wil.'

Saloth Sar toonde zich overigens in de aanloop naar de machtsovername van de Rode Khmer en tijdens zijn bewind het prototype van de saloncommunist. Hij sprak "namens' de arbeiders en de boeren, zonder ooit arbeider of boer te zijn geweest. Hij was opgegroeid in de stad en sprak, net als vrijwel alle andere hoge Rode-Khmerleiders, vloeiend Frans, had vermoedelijk kennis van het Vietnamees en het Chinees, maar zette tijdens zijn bewind de doodstraf op het beheersen van vreemde talen. Alle grote steden werden na de machtsovername op 17 april 1975 ontruimd, maar Pol Pot zelf bleef in Phnom Penh wonen. De "verderfelijke' stedelingen werden ""nieuwe mensen' of ""17 april-mensen' genoemd. Zij maakten het grootste deel uit van de meer dan een miljoen Cambodjanen die onder Pol Pot het leven verloren.

Pol Pot had tijdens de barbaarse uitvoering van zijn ideeën ""blind vertrouwen in de mogelijkheden van succes', zoals Chandler fraai zegt. Hij leek oprecht te geloven in de superioriteit van zijn land en in zijn eigen gelijk. Cambodja was immers met geen andere natie te vergelijken: ""Wij hebben een ander karakter', hield Pol Pot vol.

Chandler staat bij het dagelijkse leven in het Cambodja van Pol Pot niet lang stil en dat is verstandig. Overlevenden van het regime hebben hun verhaal allang verteld; indringender literatuur over Cambodja dan bijvoorbeeld Surviving The Killing Fields van Haing S. Ngor - die in de film "The Killing Fields' de rol van Dith Pran speelde - bestaat er niet.

In zijn boek poogt Chandler vooral achter het grote mysterie van Pol Pot te komen: hoe kan een man die door iedereen die hem ontmoette werd omschreven als een vriendelijke, goedlachse man, zo'n duivels bewind voeren? Na de val van de Rode Khmer in 1979 en de onthullingen over wat er had plaatsgevonden, konden veel Cambodjanen die Saloth Sar hadden gekend nog altijd niet geloven dat hij dezelfde was als Pol Pot.

Niet bekend

Ter verklaring beklemtoont Chandler Pol Pots streven een ""ideale communist' te zijn, zoals getypeerd door Bertold Brecht: ""Wie vecht voor het communisme, moet in staat zijn om te vechten en niet te vechten, om de waarheid te zeggen en de waarheid niet te zeggen, om een belofte te houden en te verbreken, om zich in gevaar te begeven en om gevaar te vermijden, om bekend te zijn en onbekend. Wie vecht voor het communisme heeft van alle deugden er slechts één: dat hij vecht voor het communisme.'

Momenteel verblijft Pol Pot in de westelijke jungle van Cambodja. Hij trouwde in 1987 voor de tweede keer en werd in 1988 vader van een dochter. Volgens overlopers uit het Rode-Khmerkamp gaat Pol Pot bijzonder lief met zijn kind om. Toen ze een baby was, wiegde hij haar vaak in zijn armen.

HAASJE-OVER

Brother Number One plaatst Pol Pot in een historisch perspectief, met als de belangrijkste elementen prins Norodom Sihanouk en de oorlog in Indo-China. Chandler is daarbij zeer kritisch over de rol van de Verenigde Staten. Dat is terecht: Washington heeft in Cambodja gevaarlijk haasje-over gesprongen. Voortdurend werden nieuwe coalities aangegaan en oude verbroken. Eerst was prins Sihanouk, die tot 1970 staatshoofd was, Amerika's vriend en toeverlaat, daarna Lon Nol, die de prins afzette; en na 1979 gaven de Amerikanen, als het summum van opportunisme, steun aan de regering in ballingschap van de Rode Khmer, Sihanouk en de nationalisten van Son Sann. Enige leidraad bij dat alles was de Amerikaanse obsessie een anti-(Noord-)Vietnamese politiek te voeren.

Prins Norodom Sihanouk komt er bij Chandler genadig vanaf, te genadig. De prins is al 52 jaar de feniks van de Cambodjaanse politiek en dus onvermijdelijk mede-hoofdrolspeler in een boek over Pol Pot, die maar drieëneenhalf jaar aan de macht was. De rol van Sihanouk is die van eeuwige opportunist. Hij richtte na zijn verdrijving samen met de Rode Khmer het Nationaal Front van Cambodja op (FUNK). Dat was zijn eerste liaison met Pol Pot; de tweede volgde in 1982. Chandler meent dat Sihanouk de gijzelaar was van Pol Pot, zeker na april 1975, toen de prins even staatshoofd mocht spelen in Phnom Penh maar na een jaar aftrad. Dat lijkt wat rooskleurig geformuleerd: feit is dat hij - meldt Chandler zelf ook - in de jaren zestig eveneens op harde wijze afrekende met opposanten van zijn bewind.

Nooit heeft Sihanouk zich gedistantieerd van de Rode Khmer, politiek noch fysiek. Een hoewel zijn legertje, de Armee Nationale Sihanoukiste tussen 1980 en 1991 voornamelijk westerse hulp kreeg, verbleef de prins afwisselend in Peking en Pyongyang, waar niet toevallig orthodox-communistische regimes zetelen die Pol Pot altijd gunstig gezind zijn geweest. Het grillige optreden door de jaren heen van Sihanouk heeft misschien zelfs meer bijgedragen aan het totstandkomen van het Rode-Khmerbewind dan de Amerikaanse interventie. In ieder geval werd de prins door Pol Pot dankbaar gebruikt als uithangbord en het kan niet anders of hij moet zich daar terdege van bewust zijn geweest.

HOL VAN DE LEEUW

Brother Number One is geen slecht boek, maar zeker ook niet het beste dat over Cambodja is geschreven. Volgens mij is dat nog altijd When the War Was Over van Elizabeth Becker, een journaliste van The Washington Post die als verslaggever de Vietnam-oorlog en de strijd in Cambodja meemaakte. Zij was (samen met een collega, Richard Dudman) de enige westerse journalist die de gelegenheid kreeg Pol Pot in het hol van de leeuw te interviewen. Dat gebeurde op 22 december 1978, drie dagen voor de Vietnamese invasie een einde maakte zijn bewind. Becker is een journalist met een gouden pen, Chandler een diplomaat met een beperkte stijl, en dat is te merken.

Chandler maakt overigens dankbaar gebruikt van Beckers When the War Was Over, bijvoorbeeld in het hoofdstuk over haar ontmoeting met Pol Pot dat zich laat lezen als een thriller. Zo werd de met het journalistenduo meegereisde Malcolm Caldwell, een maoïstische academicus die geloofde in de juistheid van Pol Pots ideeën, in de laatste nacht van hun verblijf door de Rode Khmer vermoord. Op wiens bevel is nog steeds een mysterie.

Waar Chandler de mist ingaat, is bij zijn beschrijving van het einde van de Rode-Khmerheerschappij. Becker en anderen staan uitvoerig stil bij de factiestrijd binnen de communistische gelederen. De leiders in het centrum - Democratisch Kampuchea was verdeeld in zes zones - Pol Pot en Ieng Sary, lieten ware slachtingen uitvoeren onder partijleden. Chandler meldt dat wel, maar hij ziet het belang er niet van in. Zo schrijft hij niets over de oprichting, 3 december 1978, van het Kampuchea Verenigd Front voor Nationale Redding, een groep (ex-) Rode Khmer-leden die zich keerde tegen Pol Pot en overliep naar Vietnam. Dat land verschafte zichzelf hiermee een alibi om het buurland binnen te vallen.

Deze feiten ontbreken in het boek van Chandler, maar ze zijn om een aantal redenen van groot belang. Ten eerste schetst het de dubbele moraal van het Cambodjaanse volk: ondanks de afkeer van de Vietnamezen, zijn die als het er op aankomt wel goed genoeg om de Cambodjanen uit de puree te halen. Ten tweede blijkt het regime dat door de Vietnamezen in 1979 in het zadel werd geholpen, volledig te wortelen in Pol Pots Democratisch Kampuchea.

Cambodja werd na 1979 een kreupel socialistisch land naar Oosteuropees voorbeeld: er waren weinig economische en persoonlijke vrijheden, maar ook geen grootscheepse vervolgingen en ontberingen meer. Anderzijds staan aan het hoofd wel ex-Rode Khmers, stuk voor stuk. Een echte zuivering heeft nooit plaatsgehad en het is vrijwel zeker dat zich onder de huidige leiders "broeders' bevinden die het bloed van de handen druipt.