Overzichtsexpositie van Japans-Amerikaans-Nederlandse kunstenaar Shinkichi Tajiri in Venlo; Tien artiesten afkomstig uit een eenmansfabriek

Tentoonstelling: Shinkichi Tajiri. Museum Bommel-Van Dam, Deken van Oppensingel 6, Venlo. T/m 14 maart. Di t/m vr 10-16.30u., za en zo 14-17u. Publikatie: Tajiri. Uitg. Kempen, 156 blz. Prijs ƒ 95,- (tijdens de expositie in het museum ƒ 75,-).

Shinkichi Tajiri heeft in zijn lange leven - hij werd in 1923 in Los Angeles geboren - zoveel uiteenlopende kunstwerken tot stand gebracht dat zijn overzichtstentoonstelling in Venlo niet zijn oeuvre lijkt te herbergen, maar dat van tien verschillende artiesten. In Tajiri huizen minstens drie fotografen: een die de geschiedenis van de Berlijnse muur vastlegde, een die kitscherig naakten fotografeerde en een die een oud fotografische procédé, de daguerreotypie, nieuw leven inblies.

Een van de beeldhouwers Tajiri stelde beelden samen van schrootijzer die slechts een dag bleven bestaan, een andere Tajiri schiep een houten knoop voor de tuin van koningin Beatrix' paleis Noordeinde. Natuurlijk biedt de chronologie voor een deel een uitweg uit deze veelzijdigheid. Zijn junksculpturen maakte Tajiri begin jaren vijftig in Parijs, de grote knoop in 1991 in Limburg.

Twee jaar geleden zei Tajiri in een interview in een aan hem gewijd boek dat hij gekozen heeft voor onvoorspelbaarheid. “Vaak zie je dat kunstenaars zich eindeloos herhalen. (-) Ik wil niet een eenmansfabriekje zijn dat eindeloze variaties op een thema produceert.” Snelheid, erotiek en geweld zijn volgens Tajiri de onderwerpen die hij met zoveel verschillende middelen gestalte heeft willen geven. Niet elk middel heeft Tajiri tot iets opzienbarends geleid. De Tajiri die in de jaren tachtig naakte vrouwen in pasteltinten fotografeerde vind ik wee, de Tajiri die in de jaren vijftig aan veel beelden ijzeren of bronzen fallussen toevoegde, is opwindend. Vooral de bronzen fallus van het beeld Scarface is in museum Bommel-Van Dam oogstrelend. De eikel komt prachtig glad uit het gebutste brons tevoorschijn. In zijn Zaden, merkwaardige bollen op hoge stelen, weet Tajiri mannelijke en vrouwelijke vormen samen te brengen.

Aan de middelen die Tajiri heeft gebruikt kun je goed zien in welke tijd een werk is ontstaan. Zijn puntige krijgers van donker ijzer horen bij de jaren vijftig, zijn glimmend metalen machinefantasieën bij de jaren zestig.

Ter gelegenheid van de overzichtstentoonstelling verscheen een monografie over Tajiri waarin autobiografische notities van de kunstenaar zijn opgenomen. Tajiri werd, als alle Amerikanen van Japanse afkomst, in 1942 in een concentratiekamp opgesloten. Een paar van de tekeningen die hij daar maakte zijn ook op de tentoonstelling te zien. In 1943 nam hij als vrijwilliger dienst in het Amerikaanse leger. Wegens de aanhoudende discriminatie van Japans-Amerikanen vertrok Tajiri na de oorlog naar Parijs, om daar met een door de Amerikaanse regering aan veteranen beschikbaar gestelde beurs beeldhouwkunst te gaan studeren bij Zadkine.

In Parijs kwam Tajiri al snel in contact met kunstenaars van zijn generatie. Hij nam deel aan de eerste Cobra-tentoonstelling in Amsterdam. In 1956 ging hij samen met zijn Nederlandse vrouw Ferdi in Amsterdam wonen; begin jaren zestig vestigde hij zich voorgoed op een kasteel in Limburg. Ferdi, wier sculpturen van felgekleurd kunstbont nu een bescheiden revival beleven, stierf plotseling in 1969. In datzelfde jaar begon Tajiri les te geven aan de kunstacademie in West-Berlijn, wat hij tot zijn pensionering in 1989 is blijven doen.

Tajiri laat zich in het boek bijna niet uit over zijn kunst. Hij besteedt meer aandacht aan zijn Japanse afkomst. Als losse bijlage is in het boek een Engelse en Nederlandse vertaling opgenomen van de Tajiri familierol, die teruggaat tot het jaar 270 na Christus. Tajiri's eerste bekende voorvader is een Chinese prins.

Eind jaren zestig is de beeldhouwer Tajiri toch een eenmansfabriekje begonnen. Hij heeft zich vastgebeten in één motief: de knoop. In het boek wijdt hij er slechts een alinea aan. Met de knopen wil hij sculpturen maken die onmiddellijk iedereen aanspreken. Het zijn monumentale beelden, stukken polyester of hout waar een knoop in is gelegd. Een zo'n knoop markeert het ontmoetingspunt in de vertrekhal van Schiphol (1975), een andere staat voor het kantoor van Shell in Den Haag (1986). Ook in Amerika staat een aantal knopen. Het lijkt mij niet dat deze knopen veel te vertellen hebben; op mij komen ze over als een soort visuele muzak. De knopen van handgeschept papier uit de jaren tachtig zijn daarentegen geheimzinnig en charmant. De computertekeningen van knopen waar Tajiri nu aan werkt, lijken weer meer op de robuuste sculpturale knopen.

De ene techniek heeft Tajiri tot betere kunstwerken gevoerd dan de andere. De resultaten zijn zo verschillend dat de tentoonstelling in museum Bommel-Van Dam ook na lang kijken een groepstentoonstelling blijft lijken. Juist daarom is het jammer dat er op de expositie nog verschillende Tajiri's ontbreken. Om een compleet overzicht van zijn bemoeienis met de erotiek te krijgen had ik bijvoorbeeld graag zijn film gezien over het Zweedse meisje Bodil Joensen, dat de liefde bedreef met een paard, een hond en een varken. Tajiri won met deze documentaire in 1970 de eerste prijs op het Wet Dream Festival in Amsterdam. In 1955 won Tajiri op het filmfestival in Cannes al een prijs voor zijn film over het roken van marihuana. In zijn autobiografie besteedt de kunstenaar ook geen aandacht aan deze uitstapjes. Sommige Tajiri's ontbreken noodgedwongen. Een grappige vondst als de opvouwbare sculptuur van karton is bijvoorbeeld vernietigd.