Met 35 gulden en een droom op zak naar Nederland

De Antilliaanse procureur-generaal R. Pietersz. houdt het “voor onmogelijk”, dat justitiele autoriteiten hebben geholpen bij het wegzenden van criminelen naar Nederland. In de Bijlmer geloven veel Antillianen echter wel dat ze worden “geloosd”, zoals de Amsterdamse hoofdcommisaris Nordholt vorige week beweerde. In elk geval komt menige jongere rechtstreeks uit het vliegtuig in het circuit van de "kleine' criminaliteit terecht.

BIJLMERMEER, 20 FEBR. "De Nederlandse Antillen..héél verrassend.' Een houten gebouwtje in het donkere onderaardse van Kraaienest. Bij de ingang een gigantische metaaldetector. Een paar stoelen, een tafel en aan de muur een poster over het vakantiegenot op de overzeese eilanden. Cultureel centrum Bon Bini is de enige plek voor de meer dan 5.000 Antillianen en Arubanen in de Bijlmermeer.

“Nordholt heeft gelijk, gelijk, gelijk. Dat ding gaat klappen. De enige hoofdpijn die de Hollander heeft gekend, waren de Molukkers”, zegt een jongen onder een grote honkbalpet. “Maar nu zit Nordholt ons te provoceren. Die jongens raken volledig losgeslagen. En het enige dat die klootzakken doen op Curaçao en in Den Haag is babbelen in hun air-conditioned hotels. Die Suzy van justitie kraait nu in Den Haag over discriminatie, maar ze komt op haar hakjes niet hier bij haar mensen in Kraaienest.”

Er zitten wat vrouwen, er spelen kinderen. De discussie aan tafel laait hoog op. Er heerst verdeeldheid. Veel Antillianen voelen zich beledigd door de uitspraken van de Amsterdamse hoofdcommissaris van politie Nordholt over criminele Antiliaanse jongeren. “Wat willen ze nou?”, zegt een vrouw en ze parafraseert de woorden van de Antilliaanse minister van justitie, S. Römer: “We zijn Nederlander in ons paspoort. En nu zijn we opeens criminele allochtonen. Het noemen van afkomst is bij de grondwet verboden.”

Een beetje achteraf staat Erik. Zachte ogen in een verweerd gezicht. Zes jaar geleden kwam hij naar Nederland met niets dan 35 gulden en een droom op zak. “Ik wilde het maken en dan teruggaan met geld.” Op Aruba verkocht hij illegale loten. Hier zou hij een cursus doen en dan een baan. “Maar ja, hoe gaat dat. Je komt vrienden tegen. Door hen word je opgeleid en je gaat dezelfde weg op als zij.” Winkeldiefstal, roofovervallen. Meer dan dertig keer is hij opgepakt. Rondhangen, coke snuiven. Zo bracht hij zijn dagen door. Nu is hij een van de vier assistent-beheerders bij Bon Bini. Hij kijkt om zich heen. Hij is niet tevreden. “Die jongeren moeten dezelfde kans krijgen als de mensen hier aan tafel. Maar de jongeren komen niet. Ze krijgen niet de kans om zich aan te passen.”

Pag 7: "Wat we hier ook doen: het is altijd een probleem'; "Die jongeren willen een volwaardige plaats in samenleving'; "Messen, wapens en vliegtuigen hadden ze niet moeten uitvinden'

Pag 7: In de tochtige ondergrondse van Kraaienest schudt Erik handjes. Hij kent ze allemaal: De "criminele Antilliaanse jongeren' van Nordholt. Jongens en meisjes op verende gymschoenen. Ze staan in groepen bij elkaar. Ze kletsen, ze rappen, ze provoceren. Ze lijken zo weggelopen uit een film van Spike Lee. “Laat de politie maar komen, we zijn er klaar voor”, zegt een jongen met een prachtig gouden hart op zijn tand. Onmiddellijk vertelt hij dat hij nooit winkels berooft. “Ik laat me niet pakken voor een tube tandpasta”. Hij lacht. Zijn Nederlands is gebrekkig. Op de vraag waar hij woont maakt hij een wijds gebaar.

Erik vertelt hoe hij twee jaar geleden van de officier van justitie een straatverbod kreeg. “Toen ben ik gaan denken: ik moest wat voor mezelf doen.” Bij de flat waar hij woonde zette hij een tent op, onder een boom. Vandaaruit begon hij dingen te organiseren: voetbal, base-ball, hardloopwedstrijden. Hij smeerde broodjes en verzamelde tientallen jongeren om zich heen. Toen het onder zijn boom te koud werd kraakte hij een flat. Daar deed hij hetzelfde. Eten, video's, een hele gewichthefinstallatie had hij er neergezet. Elke dag zat het vol met vijftig tot zestig Antilliaanse jongeren. Erik hield ze van de straat. Nadat zijn pand ontruimd werd, is hij bij Bon Bini gaan werken. Hij zucht: “Nu lijkt het of ik in een aquarium zit.”

Hij vertelt over verdeeldheid en ruzies, ook binnen de Antilliaanse gemeenschap. Al die verschillende groepen die het moeten doen met die ene ruimte van Bon Bini. Het maakt vleugellam. Erger nog is de bureaucratie van de Hollandse welzijnsmolen. Die gummi muur van officieel beleid waarop alle initiatieven van Antillianen zelf steeds weer afketsen. Samen met een paar anderen heeft hij een plan gemaakt voor enkele opvanghuizen voor de jongeren uit Curaçao en Aruba die nu elke dag vanaf Schiphol zo het criminele circuit instappen. Met een auto van Justitie is hij opgehaald om bij minister Hirsch Ballin zijn verhaal te doen. “Maar ze willen alleen maar van mij weten wat goed is om op papier te zetten”, zegt hij. “Die Hollander denkt dat hij alles oplost met een rapport.”

“Het gebalk van een ezel komt nooit in de hemel terecht, zeggen ze bij ons op de Antillen”. Rafael Lambourgini is een jonge Antilliaanse regisseur. Hij heeft net een film heeft gemaakt over het leven van Antillianen in Nederland. In zijn huis in de Bijlmer toont hij de ruwe versie. “Ik maak me echt zorgen”, zegt hij terwijl de beelden voorbijtrekken. “Er is een kleine groep die steeds meer afglijdt. Het zijn niet meer gewoon nasty boys maar ze gaan de kant op van hard core criminals.” Lambourgini meent dat veel Antillianen een brede kloof ten opzichte van Nederland voelen. “Het probleem met de koloniale moeder zit diep. Er zijn nog heel wat rekeningen te vereffenen. Die jongeren willen een volwaardige plaats in de samenleving.”

Lambourgini vertelt over het glamourbeeld dat op de Antillen over Nederland bestaat. “Als je in de gevangenis daar met een microfoon zou rondgaan en je vraagt, wat ga je doen, dan hoor je maar één woord: Holland.” Natuurlijk zamelen familie en vrienden geld in voor een enkeltje naar het "paradijs': “Het is daar in de gevangenis ook een Latijns-Amerikaans regime. Er wordt standaard mishandeld. Ook Amnesty International maakt er melding van in het laatste jaarboek.”

Maar in Nederland komen ze bij een verhollandste oma of tante. Ze verstaan de taal, maar vooral de cultuur niet. Op het arbeidsbureau wordt hen gevraagd naar hun "motivatie'. Lambourgini: “Welke motivatie? Zo denkt die jongen niet. Die jongen denkt mooi, ik wil lekker vrij zijn. Binnen de kortste keren is het dan hup, de Bijlmerbajes in.” De regiseur zet zijn film even stil. Op het scherm staat een Antilliaanse coke-dealer in zijn cel - Angel. “Je hebt hier in de gevangenis luchten en badminton. Ik leef hier als een fucking pooier”, zegt hij tegen de camera. “Maar als je niet sterk bent zak je in elkaar. Ze werken hier op je geest. Ik heb er schijt aan. Elke dag dat ik hier zit verlies ik inkomen. Zo leef ik, dat is mijn stijl. In drie minuten verdien ik waar anderen een maand voor moeten werken. Dat is waar ik voor kies.”

Tegen sluitingstijd drommen jongeren in het overdekte winkelcentrum van Kraaienest om Erik heen. Hoge stemmen, lachen, praten. Ze doen wat ze op de Antillen ook altijd deden: bij elkaar hangen op de hoek van de straat. Iemand van de bewakingsdienst komt op hen af. “Wat doen jullie hier?” Het is of ze op dit moment hebben gewacht. Luid beginnen de jongens te roepen. “Altijd een probleem”, zegt een jongen met een klein staartje. “Als we stelen is het een probleem. Als we herrie schoppen: een probleem. En als we iets positiefs doen: ook een probleem.” De jongens lachen en springen op hun schoenen. Opeens breekt er een vechtpartij uit. Vroem. Als een kortstondig onweer. Het is er en is dan gelijk weer weg. Het kat en muis spel van de verveling.

“Hangen en klieren. Ik heb het ook gedaan”, zegt Erik buiten. “Het is het enige protest dat ze kennen.” Het wordt al donker, er is niemand op straat. Erik gaat tegen acht uur in een kroeg wat drinken. Hij treft Angel. Met zijn lenige lijf schiet deze van van de telefoon naar zijn jonge klantjes. Hij wijst op een dikke man aan de bar. “Dat is mijn baas. Hij heeft mij uit Curacao laten halen. Toen hij hier in de Bijlmer de drugslijn had opgezet, heeft hij mij een ticket gestuurd.” Angel doet de detailhandel voor hem. Ongeveer een kilo coke per week verkoopt hij, à 85 gulden per gram. “Op de Antillen kost een gram 35 gulden. Dus je begrijpt waarom ik hier ben.” Curacao is klein, legt Angel uit. Als je crimineel bent loopt de politie steeds voor je deur. Daarom wilde hij naar een groter land. Angel kent alleen de Bijlmermeer. Daarbuiten is hij nooit geweest. “Daar raak ik de weg kwijt.”

Zijn eigen naam kan hij niet spellen. Toch is hij trots op zichzelf. “Ik heb net tweeduizend gulden gemaakt. Ik hou van duur leven en mooie dingen en straks ga ik terug en koop ik een huis” Is Angel zelf een verslaafde? Hij legt zijn magere handen op tafel. Aan elke vinger flonkert een ring. “Die zou ik niet hebben als ik gebruikte.” Dan draait zich om. Een jongen heeft voor zijn gram een tientje te weinig betaald. Angel bekvecht. “Ze proberen het steeds weer”, verzucht de dealer. Natuurlijk weet hij dat ze zijn handelswaar door roven en stelen bij elkaar rapen. “Maar ik zeg hun toch niet dat ze moeten beroven? Ze moeten betalen. Kijk, mij beroven ze niet.” Hoe hij zich verdedigt? Simpel genoeg. In mijn handen voel ik het warme ijzer van een pistool. “Mijn eigen bodyguard”, lacht Angel en stopt de kolf weer onder zijn trui.

Laat in de nacht komt Erik in de wijk Hoptille terecht waar hij twee jaar geleden zijn tent onder een boom plantte. “Hier was ooit een trappenhuis”, wijst Erik. Nu is het tot de grond toe afgebrand. Verderop de roetige resten van een garage die in de fik is gestoken. Sinds het kraakpand ontruimd is hangen de jongeren weer op straat, vertelt Erik.

"Alle bellen zijn kapot', staat er met een viltstift op een metalen deur geschreven. Om de hoek komt een jongen aangelopen, de ghettoblaster die hij op zijn nek draagt is bijna groter dan hijzelf. Hij schrikt even als hij Erik ziet. Hij draait hij zijn muziek nog een toontje harder. Dan begint het begroeten, uitbindig en lachend, zoals steeds.

De jongen ziet er mooi uit. Een oorbelletje door zijn neusvleugel gestoken, spijkerbroek, gymschoenen. Vijf jaar geleden is hij hier met het vliegtuig gekomen. Hij zet zijn voet achter zich tegen de muur. “Soms doe ik ook wel kwaaie dingen”, vertelt hij vrolijk. Een beetje stelen en zo weet je wel. “Weet je wat het is”, zegt de jongen peinzend, “sommige dingen hadden ze nooit uit moeten vinden. Zoals messen en wapens.” Hij zwijgt even. Dan zegt hij: “Ook vliegtuigen hadden ze nooit uit moeten vinden.”