Levenslang in schutkleur; Landwachter Jacob Luitjens

In een cel van het Huis van Bewaring te Groningen wacht de bijna 74-jarige Jacob (Jaap) Luitjens af of de Koningin hem gratie wil verlenen. De rechtbank in Assen, waar de wachtmeester van de Landwacht na de oorlog tot levenslang werd veroordeeld, weet nog niet wat ze het staatshoofd moet adviseren. Bij een negatieve beslissing zal de collaborateur worden overgebracht naar een gevangenis om althans nog een gedeelte van zijn straf uit te zitten. Luitjens werd eind november vorig jaar door de Canadese autoriteiten als ongewenst persoon het land uitgezet. Kort daarvoor was hij zijn Canadese paspoort kwijt geraakt omdat na een proces van bijna twee maanden werd vastgesteld dat hij dit document geheel ten onrechte had verkregen. Luitjens was niet zomaar een meeloper die een lange zwarte jas aantrok. Als kandidaats-rechten koos hij voor een carrière bij de NSB, de WA en tot slot de Landwacht. Kon hij anders?

De precieze datum wordt niet vermeld, maar het moet in de eerste oorlogsjaren zijn geweest. Ondercommandant T. Duursma van de Weer-Afdeling (WA) in Roden stuurt een bericht naar zijn meerderen in het hoofdkwartier van deze para-militaire tak van de NSB in Utrecht. De boodschap luidt dat opper-vaandrig J. Luitjens, wonende aan het Oostereind in Roden zijn fiets verslijt voor de beweging en dringend twee nieuwe buitenbanden en ook twee binnenbanden ("misschien is één genoeg') nodig heeft.

Op zijn 23ste jaar behoort Jacob (Jaap) Luitjens tot het middenkader van de nationaal-socialistische beweging, waarvan hij een jaar eerder (1941) lid is geworden. Half werk is niks voor hem. Op zijn dienstfiets legt hij tot het einde van de oorlog heel wat kilometers af in Noord-Drenthe: van Roden naar Peize, naar Norg of Leek, naar Groningen of Assen. De ene keer om plaatsgenoten aan te geven die naar zijn mening anti-Duits zijn, in de latere jaren is hij op zoek naar onderduikers, begeleidt hij "arrestanten' naar de hoofdkwartieren van de Duitse Sicherheits Dienst (SD) in Assen of Groningen of naar de villa "Nijenhof' in Norg, waar beroeps-Landwachters hun praktijk uitoefenen. In de meeste gevallen betreft het landgenoten die niet voor de vijand willen werken en onder meer bij door hemzelf geleide razzia's zijn opgepakt.

Zo bezorgt Luitjens in het najaar van 1944 de "stadjers' Wolter Wolthuis en Hilko Kerkhof de schrik van hun leven. De twee Groningers willen niet in Duitsland werken en hebben zich op het Leekstermeer verborgen in een kajuitbootje. De andere bootjes langs de oever zijn ook al wekenlang in gebruik: allemaal mannen uit de stad die er net zo over denken als Wolthuis en Kerkhof. In de zeer vroege en donkere ochtend van 12 oktober 1944 is er plotseling lawaai, geschreeuw op de walkant. Bang en rillerig steken de onderduikers hun hoofd uit de kajuit en zien 34 Landwachters tegenover zich. Een aantal draagt een lange zwarte jas met rode armband, jachtgeweer in de aanslag; anderen hebben een burgerpak aan. Slechts een enkeling draagt een grijsgroen uniform, zoals Jaap Luitjens. Hij heeft geen jachtgeweer maar een modern automatisch wapen en afgaande op zijn houding, op de bevelen die hij geeft, trekken Wolthuis en Kerkhof de conclusie dat hij de actie leidt.

Alle onderduikers worden - op de fiets - afgevoerd naar het hoofdkwartier van de Sicherheits Dienst in Groningen. De mannen uit de stad weten wat hen te wachten staat: het Scholtenshuis aan de Grote Markt, op de plaats waar nu het Gronings Studentencorps zijn feesten viert, is berucht vanwege de gruwelijke martelingen die er plaatshebben. Wolthuis, Kerkhof en de andere vijf of zes "werkweigeraars' worden na een kort oponthoud in het SD-gebouw op transport gesteld naar het concentratiekamp Neuengamme (klei steken voor de baksteenindustrie) of naar de marinebasis Wilhelmshafen in Noord-Duitsland.

Vluchtpoging

Onderweg naar Groningen doet zich nog een incident voor, dat Luitjens bij zijn proces in september 1948 als één van de meer ernstige feiten ten laste wordt gelegd. Als de vijf Landwachters en hun slachtoffers door de stad fietsen, onderneemt één van de mannen (Hennie Jansen) een vluchtpoging. De anderen zien Luitjens er op hoge snelheid achteraan gaan, al roepend: ""Schiessen, schiessen''. Als hij bij het ploegje terugkeert, horen ze hem zeggen: ""Zo, die weet wat er van komt als je probeert te ontsnappen. Hij is gelukkig dood''. De bijzondere rechtbank concludeert tijdens de zitting in Assen echter dat het bewijs niet kan worden geleverd dat de man ook werkelijk door Luitjens is gedood en spreekt hem vrij van deze beschuldiging, evenals van een dodelijke schietpartij in zijn woonplaats waarbij de Duitse deserteur Walter Korber om het leven wordt gebracht. Het vonnis luidt echter wel: gevangenisstraf voor de tijd van het leven.

De rechtbank onder leiding van mr H. J. H. Nauta is tot de conclusie gekomen dat Luitjens ""in tijd van oorlog dienst heeft gedaan als Landwacht, daarbij een wapen heeft gedragen en dat ook heeft gebruikt; dat hij opzettelijk de vijand meermalen hulp heeft verleend''. Levenslang is dan een uitzonderlijk zware straf. Na de oorlog werd aan 150 Nederlanders een zelfde zware straf opgelegd, 134 werden ter dood veroordeeld. In 32 gevallen werd de executie ook werkelijk voltrokken. Bij het vonnis van Luitjens kan een rol hebben gespeeld dat hij niet op de zitting is verschenen. Om te voorkomen dat zo iemand zijn straf zou ontlopen werd dan een flink aantal jaren gevangenisstraf of levenslang gevonnist.

Als de rechter spreekt zit Jaap Luitjens al in de Chaco-regio in het noorden van Paraguay, een streek waar direct na de oorlog veel uit de Oekrane afkomstige Mennonieten hun geloofsgenoten opzoeken die daar al enkele tientallen jaren wonen. Weliswaar heeft Luitjens zich op 18 april 1945 zelf aangegeven als collaborateur, maar in de strafkampen Veenhuizen en Westerbork hoort hij zulke verschrikkelijke verhalen over wat verraders allemaal te wachten staat, dat hij besluit te vluchten. Volgens zijn eigen verklaringen wordt hij in Westerbork ook nog ernstig mishandeld. In 1946 ontsnapt hij, samen met enkele familieleden. Via Ulm in de Schwabische Alpen komen ze terecht in Backnang boven Stuttgart. Ze begeven zich tussen van oorsprong Oostpruisische wederdopers of doopsgezinden, die daar hun reis per schip naar Zuid-Amerika voorbereiden. Hoewel er veel meer vluchtelingen dan plaatsen zijn, is Luitjens aan boord van het eerste schip dat uit Bremerhafen vertrekt. Hij staat op de passagierslijst onder de naam Gerhardt Harder.

Opgaan in deze groep Duitsers kost de collaborateur uit Roden niet bijzonder veel moeite, zijn Drentse dialect lijkt op het plat-Duits dat daar gesproken wordt. De voormalige Landwacht-sergeant belandt aldus in 1947 in het plaatsje Fernheim dat zeventien jaar eerder is gesticht door Mennonieten die eerder uitgeweken zijn. Luitjens wordt er leraar op een (middelbare) school. Een lid van de gemeenschap herinnert zich later: ""Een man met een eindeloos geduld''. Tegenover de vergevingsgezinde gemeenschap bekent de gewaardeerde leraar enkele jaren na aankomst dat hij onder valse naam leeft en vanaf die tijd heet hij weer gewoon Jaap Luitjens. Aan het eind van de jaren vijftig heeft hij genoeg van het schoolleven in de tamelijk eenzame streek en sluit hij zich aan bij doopsgezinden die met hulp van het Mennonite Travel Agency naar de broeders en zusters in Canada willen. In 1961 arriveert hij in Ottawa. Bij het invullen van de vele vragenlijsten slaat hij zijn werkzaamheden voor de bezetter tijdens de oorlog in Nederland gewoon over. De autoriteiten komen daar pas achter als de Nederlandse regering begin jaren tachtig om zijn uitlevering vraagt. Er volgt een uitgebreid en minutieus onderzoek, gevolgd door een proces in 1988 en 1989.

Mr J. Rikhof, destijds adviseur van het ministerie van justitie in Ottawa herinnert zich: ""Een arrogante man met het typische gedrag van de oorlogsmisdadiger. Niks weten, geen herinnering, draaien en slimme antwoorden bedenken. Hij had gedacht dat hij zich er makkelijk uit zou redden. Dat viel tegen en naarmate hij meer in het nauw kwam, ging de (slechte) gezondheid een steeds grotere rol spelen. Ik geloof absoluut niet dat deze man ergens spijt van heeft''. In 1991 doet rechter J. Collier uitspraak: Luitjens heeft het Canadese staatsburgerschap verkregen op onware of onjuiste gronden en bovendien belangrijke gegevens voor een juiste beoordeling verzwegen. Hij raakt zijn paspoort kwijt en wordt een jaar later uitgezet, terug naar zijn geboorteland. Vervolgens speelt nog even de vraag wat daar onder moet worden verstaan. De man is immers geboren in Buitenzorg op Java. Dat was echter op 18 april 1919, toen Nederlands-Indië nog deel uitmaakte van het Koninkrijk. De vliegticket naar Amsterdam kan worden besteld.

Villa Nijenhof

""Luitjens is een expert in het aannemen van de juiste schutkleur. Hij slaagt er binnen de kortste keren in om niet meer op te vallen als hij zich een omgeving heeft uitgekozen'', zegt professor Henry J. Mason van de Tulane University in New Orleans. In het laatste oorlogsjaar is hij als eerste luitenant van het Amerikaanse leger actief in de Gelderse Achterhoek bij het in veiligheid brengen van verongelukte piloten. ""Ik heb daar de heldendaden van gewone mensen gezien'', zegt Mason, die de "goede' Nederlanders na de oorlog namens zijn regering mocht eren met een onderscheiding, ook in Noord-Nederland.

In het begin van de jaren vijftig schrijft Mason een boek over de Nederlandse collaborateurs (The Purge of the Dutch Quislings). Later volgt een boek over massa-bewegingen en enkele artikelen over de joden in Nederland. Mason veronderstelt dat hem wegens deze deskundigheid en de kennis van het gebied door de Canadese autoriteiten begin 1987 wordt verzocht mee te werken aan het proces tegen de wachtmeester (sergeant) van de Landwacht. Nog datzelfde jaar, in de zomer, loopt de Amerikaanse hoogleraar over de weg tussen Roden en Norg, ter hoogte van de villa "Nijenhof', destijds de verblijfplaats van de beroeps-Landwacht. Een groep die al gauw de afschrikwekkende naam "Bloedploeg Norg' kreeg door de harde aanpak en martelingen van onderduikers. Commandant was de Amsterdamse betonwerker G. H. Sanner die in 1947 is gefusilleerd. ""Ik stond daar en huiverde. Zoveel afschuwelijke dingen zijn er in dat huis gebeurd. En al heeft hij zelf niet meegedaan aan die praktijken, Jaap Luitjens zorgde er voor dat onschuldige mensen in handen vielen van deze folteraars. Er wordt wel eens gezegd dat dit soort collaborateurs in feite kleine, onbelangrijke vissen zijn, maar in oorlogstijd fungeren ze als de ogen de oren van de vijand. Zonder hen hadden de Duitsers lang niet zoveel joden en verzetsmensen kunnen oppakken. Deze verraders kennen de eigen omgeving, weten wat zich daar afspeelt en spelen zo een cruciale rol in het verloop van de oorlog'', zegt Mason.

Zijn woorden worden versterkt door professor dr. L. de Jong die in dezelfde periode eveneens op verzoek van de Canadese regering zijn licht laat schijnen op de zaak-Luitjens. De Jong rekent voor dat ongeveer 50 Nederlanders door toedoen van deze zoon van een nationaal-socialistische veearts zijn gedeporteerd of verdwenen. De meesten zijn teruggekeerd, maar getekend voor de rest van hun leven.

Brobbelkuur

In een ruime bungalow aan de rand van Roden zit een 82-jarige man die de martelingen in "Nijenhof' heeft doorstaan en vervolgens op transport werd gesteld naar een Duits concentratiekamp. Zijn naam mag niet in de krant, evenmin wil hij details kwijt over wat hem door de Bloedploeg is aangedaan: ""Ik zat twee dagen achtereen in de badkuip''. Dat was een methode waarbij de handen van het slachtoffer op de rug werden gebonden, waarna de Landwachters hem in het ijskoude water duwden. Niet zelden tot bewusteloosheid volgde.

Niet bekend

De eerder aangehaalde verzetsman weet niet of Luitjens persoonlijk heeft bijgedragen aan zijn arrestatie en mishandeling: ""Hij was niet bij de badkuip. Ik zag hem alleen wel diverse keren in de tuin paraderen, als ik even bij mocht komen in een kamertje. Hij was erg trots op zijn uniform, vond zichzelf heel belangrijk. Het was een sport voor hem om mensen aan te brengen''. De verklaring voor dit optreden moeten we maar niet te ver zoeken, vindt hij. ""Vader Steven Luitjens was immers overtuigd NSB-er, maakte er propaganda voor. Direct na de bezetting gaf hij mensen aan, oefende druk uit op de arme veeboeren hier in de omgeving om ze bij de beweging te krijgen. Een harde, ontevreden en ook wrede man. Op een keer was er een zuivelstaking, een aantal boeren weigerde melk af te leveren aan de Duitsers. Vader Luitjens zag een jongen op één van de karren meehelpen de melkbussen er af te gooien. Hij reed in zijn Dodge rechtstreeks naar het gemeentehuis en liet de SD in Groningen waarschuwen. Een paar uur later sleepten de Duitsers het stuiptrekkende lichaam van de zeventienjarige Tiemen van Bergen voor de deur van zijn ouderlijk huis langs. De moeder mocht er nog even naar kijken.''

Een paar straten bij de bungalow vandaan heeft Dirk Kok een garage. Hij was toen een kind maar herinnert zich de avond van 24 december 1944 nog heel precies: ""Het was ongeveer half elf. Er werd gebeld, twee landwachters kwamen binnen. Luitjens hield mijn moeder in bedwang, zij moest de kinderen stil houden. De ander, een slager hier uit het dorp, gaf mijn vader een paar klappen. Daarna werd hij meegenomen. Buiten stonden wel twintig Landwachters met geweren. We hadden destijds ook al een garage en de Bloedploeg tankte bij ons. Maar ook het verzet uit Smilde. Ik denk dat ze daar achter zijn gekomen''. Vader Kok kwam in 1945 terug uit Neuengamme: ""Hij is nooit meer de oude geweest''.

Misvormde hand

Jaap Luitjens, die aan het begin van de oorlog zijn kandidaats-rechten behaalde aan de rijksuniversiteit in Groningen is in 1944 lid geworden van de (reserve- of hulp-) Landwacht. Hij staat op een lijst van de Roder groep die 47 namen telt. Achter de naam Luitjens zijn de letters SS getikt. Volgens een medewerker van het RIOD hoeft dit echter niets te betekenen. Uit het in Canada beschikbare ("top secret') bewijsmateriaal blijkt dat Luitjens in 1942 toen hij voor de WA als staffunctionaris reeds propaganda-cursussen verzorgde, zich als 23-jarige wel heeft gemeld voor een Oostfront-eenheid van de Waffen-SS. Hij wordt afgewezen, waarschijnlijk op grond van zijn misvormde hand waaraan een paar vingers ontbreken. Om daarna te kunnen toetreden tot de pas opgerichte Landwacht heeft hij toestemming nodig van de NSB-leiding. Die wordt gegeven. De nieuwe organisatie is min of meer voortgekomen uit de NSB en lijkt aanvankelijk niet bijzonder gevaarlijk. NSB-ers die zich door de vele aanslagen, vooral op het platteland niet meer veilig voelen hebben hun meerderen dringend om wapens gevraagd. In Drenthe is als voorloper reeds in september 1943 een Boerenwacht geïmproviseerd, bewapend met jachtgeweren. In combinatie met de fantasie-uniformen leidt dit al gauw tot de met minachting uitgesproken bijnaam "Jan Hagel'. Uit die tijd is de volgende waarneming bewaard gebleven: ""Wij menen dat het voornamelijk dit beeld was van een niet-meer-zo-jonge buurt-NSB-er die op een goede dag in een ridicuul uniform gestoken met een hoogst misplaatst geweer over de schouder passanten op straat aanhield, gewichtig hun papieren vroeg en door hen vervoerde levensmiddelen afpakte om die later met zijn kameraden zelf te nuttigen''.

In enkele regio's wordt het echter al gauw anders. De Drentse bevolking onderkent ook het gevaar, de nieuwbakken helpers van de bezetter blijken binnen de kortste keren actief bij arrestaties, opsporingen en wegcontroles. SS-bevelhebber Rauter, de commissaris-generaal voor Nederland en beschermeling van Himmler meent een goede kans te zien de nieuwe NSB-eenheid te belasten met meer militaire taken. Hij wil ze uiteindelijk inlijven bij de SS. Het duurt niet lang of er komen betere wapens en het ratjetoe aan uniformen wordt verruild door een veldgrijs pak. Het voert te ver om deze machtsstrijd hier uitgebreid te beschrijven, maar het gevolg is dat het karakter van de beweging verandert.

In het begin zijn er 1250 beroeps-Landwachters en 8800 vrijwilligers die de Hulpdienst vormen. Reeds een half jaar later is het omgekeerd: 5700 beroeps en 2000 in de Hulpdienst; Luitjens blijft er tot het laatst toe bij. Dat de Landwachters zich steeds vaker en vooral ook in ernstiger mate gaan misdragen jegens de (onschuldige) bevolking wordt bevestigd door een onverdachte bron. Landwacht-commandant W. Slob schrijft in zijn (wat late) ontslagaanvrage aan Mussert op 15 februari 1945: ""De definitie van de doelstelling van de Landwacht had mijn sympathie. Ik meende er een middel in te mogen zien om iets voor ons volk te doen en daardoor dan de partijen dichter bij elkaar te brengen. In plaats van dit te bereiken werd de Landwacht een ware plaag voor de bevolking en heeft daardoor ook de Beweging veel kwaad berokkend. De Landwacht krijgt allerlei opdrachten waarmee zij zich buitengewoon gehaat maakt. Ze worden betrokken bij razzia's, bij het wegleiden van bij die razzia's gegrepen volksgenoten, bewaking van dezulken, ze moeten SD-werkzaamheden verrichten, onderduikers opsporen.'' Slob wijst de NSB-top vervolgens op ""het lage allooi van vele kaderleden en derhalve ook van de manschappen. Er zijn kaderleden met sadistische neigingen. Er zijn vele manschappen die niet weten welke verplichtingen ze als Nederlandsch Nationaal Socialist hebben tegenover de volksgemeenschap, door zich o.m. goed te gedragen. De leiding van de Landwacht is on-Nederlandsch en vaart in Groot-duitsch vaarwater. Bij de razzia's wordt ons volk als vee opgejaagd en dikwijls op de meest ontactvolle wijze tezamen gedreven. Hier is geen liefde meer tot ons volk. Hier leeft alleen de wensch te voorkomen dat de tegenstander nog iets overgelaten wordt''.

Jaap Luitjens wordt tijdens het proces in Ottawa in 1988 over deze zaken langdurig ondervraagd. Dat hij actief lid was van de NSB, de WA en de Landwacht rechtvaardigt hij met de woorden: ""Het was een keus tussen nationaal-socialisme en communisme''. Of hij zich een verrader voelt? ""In zekere zin ook weer niet, ik wilde het beste voor mijn land.'' Evenals in Paraguay en Canada blijkt hij zich ook hier steeds ongewenst te hebben gevoeld: ""Ik herinner me dat ik met mijn moeder naar de kerk ging. De predikant, maar ook anderen wilden ons geen hand geven. Dat christenen zoiets kunnen doen, begreep ik niet''. Daarop zegt de aanklager, licht geirriteerd: ""U was ongewenst omdat u een verrader bent''. Luitjens: ""Ik was ongewenst vanwege mijn politieke overtuiging''.

Bij het schrijven van dit verhaal is onder meer gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

Dr. N. in 't Veld: De SS en Nederland; S. Schoon: De Knokploeg Noord-Drente; J. B. Charles: Volg het spoor terug; Rapport van W. Slob (Archief RIOD); Documenten en verslagen Federal Court of Canada.