"Leraar maar beperkt inzetbaar'; Wallage voorziet dat tussen scholen beloningsverschillen gaan ontstaan

ZOETERMEER, 20 FEBR. Eindelijk was het dan zover. Na maanden van onderhandelingen, soms tot diep in de nacht, werd gisteren het akkoord tussen de minister van Onderwijs en en vakbonden gesloten. Jonge leraren gaan er vanaf volgend jaar maart 400 tot 500 gulden bruto per maand op vooruit. kosten: 275 miljoen. Scholen krijgen extra budget om een eigen personeelsbeleid te voeren, kosten: 250 miljoen. Maar de prijs voor al dit moois is dat de wachtgeldregeling ingrijpend wordt beknot. Voor leraren tot veertig jaar is hij afgeschaft: zij vallen voortaan onder de "gewone' WW. Leraren tussen en veertig en vijftig zien de duur en de hoogte van het wachtgeld flink verminderd. Alleen voor vijftig-plussers is hij behouden. De bonden prijzen het akkoord als “het maximaal haalbare”.

Staatssecretaris J. Wallage (onderwijs) is verantwoordelijk voor het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Als zodanig was hij de meest direct betrokken bewindsman. Als minister Ritzen al naar huis was, verbleef hij nog op het ministerie, dicht bij de hitte van de onderhandelingen.

Moest u niet een beetje glimlachen, toen u zojuist de bonden het akkoord gloedvol hoorde verdedigen, terwijl ze zich lang en hardnekkig tegen aantasting van het wachtgeld hebben gekeerd?

Wallage schuift even heen en weer op zijn stoel. “Nou, och. Ik heb tijdens de vele vergaderuren van de afgelopen weken heel goed gemerkt hoe pijnlijk het voor hen is om in verworven rechten te snijden. Na de zeer defensieve staking in september - "Je blijft met je vingers van de wachtgeldregeling af!' - is er nu een situatie ontstaan waarin de bonden zelfs met enige trots kunnen zeggen: het onderwijs heeft een werkgelegenheidsbeleid en seniorenbeleid gekregen, waardoor het verantwoord is te komen tot een soberder wachtgeldregeling. Ik heb bewondering voor de manier waarop ze dat hebben gedaan. Vroeger was het zo dat het wachtgeld vooral als een individueel opeisbaar recht werd gezien. Het resultaat van de afgelopen maanden is dat het wachtgeld nu als een instrument voor onderwijsbeleid en arbeidsmarktbeleid wordt gezien.”

Onderwijs is de eerste overheidssector waar het wachtgeld versoberd is. Zal die versobering maatgevend worden voor de andere delen van de overheid?

“De structuur van de afspraken bij onderwijs is niet zo verschrikkelijk belangrijk voor andere delen van de overheid. Dat ligt aan de aard van het leraarschap. Want iemand die 15, twintig jaar leraar is geweest, kan zich natuurlijk wel omscholen, maar hij blijft natuurlijk voor de toekomstige werkgever een leraar. En daarmee is de mogelijkheden van deze mensen om echt breed inzetbaar te zijn op de gehele arbeidsmarkt natuurlijk beperkt, zeker naarmate ze ouder zijn. Dat is een verschil met elders.”

Het CDA heeft Ritzen er tijdens het begrotingsdebat in december van beschuldigd in het geheim te sparen voor een volgend salarisakkoord. Komt er straks weer een nieuw akkoord?

“Het zal denk ik heel lang duren voordat we weer zo'n sessie zullen beleven als vandaag. Dat zal wel pas in de volgende eeuw zijn.”

De discussie over de onderwijssalarissen is politiek belast geraakt omdat Ritzen vorig jaar tot grote irritatie van het CDA op een vakbonddemonstratie sprak over "de kaalslag' die de vorige CDA/VVD-kabinetten in het onderwijs zouden hebben veroorzaakt. Waarom helpt u nu niet met een mooi gebaar die irritatie uit de wereld?

“Ik vind dat we een beetje weg moeten van een politieke discussie in de vorm van een bijeenkomst der gekwetste zielen. Ik kan alleen maar zeggen dat de minister en ik mentaal altijd heel dicht bij de mensen in het onderwijs willen blijven staan. Dat is bij sommigen kennelijk goedkoop overgekomen. We hebben voor een vorm van dialoog gekozen die ons misschien wat dichter bij de onderwijspraktijk brengt en wat verder af van het Binnenhof. Daarmee zeg ik niks inhoudelijks over enige voorganger. Maar voorzover de politiek uit gebaren moet bestaan, en er een gebaar nodig is in de richting van het CDA, dan zit dat wel in het hart van dit akkoord. Namelijk dat het geld niet in een automatisch landelijk uitkeringsbeleid is terecht gekomen, maar in een toeslagenstelsel en meer vrijheid voor de scholen.”

In hoeverre is dat budget voor het eigen beleid van scholen vrij besteedbaar?

“In principe is het vrij. Er komt gewoon extra formatie ter beschikking aan de scholen. We geven wel suggesties hoe de scholen dat geld kunnen gebruiken: voor leraren in vakken waarin tekorten bestaan, of aan functiedifferentiatie. Maar de scholen mogen er mee doen wat ze willen. Het is dus denkbaar dat er beloningverschillen gaan ontstaan tussen scholen onderling.”

Nee, ze heffen zichzelf nog niet op, zegt S. de Haan over de telefoon. De belangenvereniging van jonge leraren, de "Nahossers' waarvan hij bestuurder is, is blij met het salaris-akkoord tussen minister Ritzen (onderwijs) en de onderwijsbonden, maar “het moet nog door de bondsraden en door de Kamer”, aldus De Haan. “We blijven in elk geval dit schooljaar nog bestaan.” Maar ze vinden de overeenkomst wel “een duidelijk gebaar naar jonge leraren”, zegt de Haan.

De Nahossers zijn vernoemd naar het zogenoemde HOS-akkoord dat de toenmalige minister van onderwijs W.J. Deetman in 1986 sloot met de onderwijsbonden. Daarin werden de aanvangsalarissen van nieuwe leraren fors verlaagd, om die van de zittende leraren te ontzien. De Haan vindt het wel “jammer” dat de regeling voor toeslagen op het salaris van beginnende leraren pas in 1994 ingaat. “Nu moeten jonge leraren nog een jaar wachten.” Zelf gaat De Haan, die tweeduizend gulden netto per maand verdient als wiskunde-leraar aan een Utrechtse school voor HAVO en VWO, er tweehonderd gulden op vooruit. “Ik ben van de eerste lichting na 1988. Gelukkig ben ik "rijk getrouwd', anders had ik al lang een andere baan gezocht.”

De negatieve gevolgen voor de wachtgelders betreurt hij. “Die worden nu een soort Nahossers.”