Iedereen ingenieur

De televisie was er niet bij. Het leukste kleine evenement van de week had alleen in het echt plaats. Het was woensdag aan het eind van de avond in het nationale gesprekswalhalla, De Balie te Amsterdam: prof. dr. I.A. Diepenhorst doet zonder voorafgaande aankondiging prof. dr. I.A. Diepenhorst na. Zonder twijfel de beste imitatie van deze verpersoonlijking van de Vrije Universiteit die in jaren is vertoond. De rollende R, de vervoering op het zinderende grensgebied tussen toorn en geestdrift, de reformatorische rechtvaardiging voor stellingen waar anderen slechts het gezonde verstand als inspiratiebron bij kunnen raadplegen. Het was een ouderwets genoegen. En hoopgevend. Want de spreker was er zeker van dat de universiteit niet dood is en niet dood hoeft! (Over die vraag ging de avond.)

Na afloop van zijn gloedvol vertoog kreeg hij het nog even flink aan de stok met de schrijver en beoefenaar van de algemene taalwetenschap Hugo Brandt Corstius. Diepenhorst, van '65 tot '67 minister van onderwijs in de kabinetten Cals en Zijlstra, had de universiteiten opgeroepen het hoofd fier te heffen en ruimte te houden voor “eclatante zotten”.

Waarop Brandt Corstius (alias Battus, Stoker en vele anderen) Diepenhorst voorhield dat diens pleidooi hem nog meer had aangesproken als hij niet zelf verbonden was geweest aan een universiteit die alleen maar mensen aanstelt “met één bepaalde afwijking”.

De aangesprokene, die vijftig jaar geleden voor het eerst college gaf, ontkwam ternauwernood aan een woedeaanval. “Als u één van mijn studenten was geweest zou ik u nu uitleggen dat men geen impertinenties nodig heeft om zijn standpunten te verdedigen. Ik heb er trouwens ook geen zes schuilnamen voor nodig. Ik ben Diepenhorst en iedereen weet dat ik zo heet.”

Prachtig, een universitaire discussie om rechtop bij te gaan zitten. Het fragment redde een avond met een zeker gebrek aan probleemstelling. Want de universiteit gaat natuurlijk niet dood. Het is geen levend wezen. Bovendien hebben veel te veel mensen, die goed uit hun woorden kunnen komen, belang bij het voortbestaan van de universiteit, in welke gedaante ook. Dat is één van de problemen.

Te veel mensen brengen er hun dagen door tegen een kennelijk aanvaardbare vergoeding. Als student, docent, regelaar of portier. "Te veel' is natuurlijk een begrip dat afhangt van wat men verwacht van de universiteit. Daar wringt de schoen. Het publiek in De Balie vroeg regelmatig om een definitie. Die kwam niet, er zijn er te veel.

Oud-minister W. Albeda had als inleider van de avond al aangegeven hoe veel officiële en officiëuze maatschappelijke opdrachten de universiteit in de loop der eeuwen heeft gekregen. Hij situeerde het ideaal van de universiteit, die zich bevindt in een volmaakt zelfstandig gebied voor vrij onderwijs en onderzoek, buiten de greep van handel en politiek, aan het eind van de vorige eeuw. Geen universiteit ontkomt er meer aan nuttig te moeten zijn voor de omringende wereld.

Zonder weg te lopen met het marktmodel pleitte Albeda voor meer ruimte voor universitaire zelfstandigheid, met bijvoorbeeld een budget per student en een honorering van docenten die rekening houdt met realiteiten van de arbeidsmarkt buiten de universiteit.

De voorzitter van het College van bestuur van de universiteit van Amsterdam, J.K.M. Gevers, wilde daar wel wat verder in gaan. Hij hoopt het te veel aan verwachtingen vooral te ordenenen door verschillen tussen instellingen van hoger onderwijs te gaan accentueren. Daarvoor hoeven Hogescholen van Gevers geen universiteiten te worden. Net zoals de Leidse hoogleraar Daems vorige week in zijn diësrede, pleit Gevers voor profilering, meer verscheidenheid om te ontsnappen aan de pretentie van gelijkwaardigheid. Selectie is een te vermijden begrip, alleen wordt men aangemoedigd een opleiding van passend niveau te zoeken in het warenhuis van het hoger onderwijs.

Gevers ziet de laatste tien, vijftien jaar als winst. “Er is vrij veel slechts en irritants, maar we zijn aan de beterende hand.” Instellingen van hoger onderwijs (en onderzoek) nemen meer beslissingen zonder het ministerie in Zoetermeer nodig te hebben.

Dat optimisme mag men een universitair bestuurder niet ontnemen, maar hoe kunnen universiteiten weer broedplaatsen van originaliteit worden als de massaliteit niet verstandig wordt ingedamd? Het is moreel en intellectueel het meest bevredigend iedere student welkom te blijven heten en ons zelf wijs te maken dat de kwaliteit constant blijft. Dat wordt minder flink als er niet bij gezegd wordt dat bij krimpende begrotingen en gelijkblijvende gastvrijheid een middelmatig klimaat onvermijdelijk is. Wie dat ontkent, houdt zichzelf voor de gek.

Een open Westers land als het onze is verwend met kennis en verslaafd aan deskundigheid. Velen weten dat weinigen alles weten van heel weinig. Als je een probleem hebt - en we signaleren er genoeg - dan zijn er mensen die voor ons het naadje van de kous kennen, of kunnen vinden. Dat lijkt veilig en geeft rust.

Donderdag kreeg ik een schokkend voorbeeld van de gekte die daaruit voortkomt. Op een studiedag van het Koninklijk instituut van ingenieurs werd me uit gesprekken met sleutelfiguren duidelijk dat het kabinet vorige week ten dele een schertsbeslissing heeft genomen over de verdere versterking van de rivierdijken. Wat wil het geval? De commissie-Boertien adviseerde in januari dat voor ongeveer 200 miljoen gulden extra 55 procent meer natuur en cultuur langs de dijken gespaard kan worden. Dat leek mooi. Het kabinet heeft het advies overgenomen. De commissie adviseerde op grond van een studie onder leiding van het Waterloopkundig Laboratorium. Die blijkt in dit opzicht op drijfzand gebaseerd.

Tijd voor eigen onderzoek was er niet. De ingenieurs van het WL moesten zich verlaten op een studie van bijna twintig jaar geleden, waar zij elders in haar rapport van zeggen er weinig mee te kunnen bij gebrek aan toetsbare gegevens. Het WL weet dat de als exacte percentages door commissie en minister gebruikte cijfers over te sparen "LNC-waarden' slechts ruwe indicaties zijn. Slagen in de lucht. En toch rust het hele beleid er op.

Zo onverschillig staan wij tegenover feiten, dat we ons collectief met een pseudo-wetenschappelijke fopspeen naar bed laten sturen. Je hoeft niet gestudeerd te hebben om daar achter te kunnen komen. Dat krijg je als iedereen even bij de universiteit langs gaat en niemand er wakker van ligt dat het een weetjes-havo wordt. Klok- en klepelkunde.