Hybris

Zeggen dat een nieuwe plant het goed zal doen is strafbaar. In geschrifte is dezelfde mededeling nog strafbaarder. Vorig jaar december schreef ik in enthousiaste bewoordingen over de Iris reticulata, die piepkleine vroeg bloeiende bolvormende irissen van maar een paar centimers hoog en heerlijk geurend naar viooltjes; ""ze manifesteren zich al!'' jubelde ik er onnadenkend achteraan.

Dat was het noodlot tarten: de boodschap moet van het ene sprietje naar het andere door het hele bloembed zijn gegaan, per semafoor uiteraard, en mijn honderd kleine bolletjes weigerden als één man om te bloeien. De sprietjes groeiden wel, maar dat was alles, geen knop kwam er aan. What, all my pretty chickens, and their dam / At one fell swoop! Het is uniformiteit van het verlies die zo duidelijk bewijst dat er opzet in het spel is; ten eerste waren deze bolletjes niet allemaal van dezelfde herkomst en zelfs als er iets mis gaat met een hele partij van dezelfde kweker zijn er altijd nog wel een paar die van niets wisten en gewoon hun nummer opvoeren in de veronderstelling dat de anderen het ook doen.

""De publikatie van een foto plus juichende beschrijving van een van mijn beste specimens is zo vaak gevolgd door ijzingwekkende rampen, plotselinge dood of ontworteling door storm (...) dat ik me bekropen voelde door het lugubere gevoel dat ik er beter aan deed mijn successen niet te beschrijven, tenzij ik het afklopte of anderszins probeerde de betovering van de toezichthoudende heks of het blinde Boze Oog te verbreken.'' Aldus schreef E.A. Bowles, een van de grootsten onder de schrijvers over tuinieren, in 1914. Als overtuigd christen (een vroege poging om zijn roeping te volgen als predikant was mislukt) had hij ""zelfs lezingen gehouden voor plaatselijke dispuutgezelschappen over de strijdigheid van bijgelovige angsten met het christelijk geloof'', maar dat belette hem niet inconsequent te zijn wanneer het zijn tuin betrof. ""Mijn grootste zwakheid'', schreef hij, ""heeft de gedaante van een gevoel van ongerustheid dat onzichtbare krachten gereed liggen om complicaties of rampspoed uit te storten over degene die pocht op voortdurend succes. (...) Nooit ben ik zo beducht op deze wrekende schikgodinnen als wanneer ik mij over een of ander succes in de tuin openlijk verblijd, meer in het bijzonder in druk.''

Zijn oplossing bestond er uit zijn teksten te doorspekken met tot dusvers en ogenschijnlijks, zoals in ""tot dusver is zij van goede constitutie gebleken, en gedijt zij gestadig''; zo had ikzelf moeten schrijven: ""Tot dusver is er geen reden om aan te nemen dat de Iris reticulata niet zal bloeien wanneer de tijd gekomen zal zijn.'' Op dezelfde manier werden vroeger aan Chinese kinderen onaanlokkelijke namen gegeven als Lelijkerd of Probleemkind teneinde de boze geesten te misleiden. Dezen zijn de moeite niet waard, dacht de geest dan, en ging verder om bij de buren in hun plaats Kostbare Jade en Hemelse Bloem mee te nemen.

E.A. Bowles (1865-1954) was een bekwaam tuinier, een uitstekend natuurkenner en begaafd schrijver. Zijn trilogie, My Garden in Spring, My Garden in Summer en My Garden in Autumn and Winter verscheen in 1914 en 1915; oorspronkelijke edities zijn uiterst zeldzaam en zelfs de herdrukken uit 1972 zijn moeilijk te vinden. Onlangs slaagde ik erin exemplaren van de eerste twee titels te vinden en ik heb nu in het origineel zulke befaamde passages kunnen lezen als zijn beschrijving van zijn "home for demented plants', het Krankzinnigengesticht ("Twee gouden regens die vreemde gewoontes hadden ontwikkeld kwamen in aanmerking voor opname: een ervan hield zich voor een eik'). Misschien zouden mijn Iris reticulata ook geschikte kandidaten zijn geweest: ze lijken sterk op zijn dwergversie van Viburnum opulus die ""een bloedernstige waanzinnige is, lijdend aan melancholische verdwazing, want zij bloeit nooit''.

Hij was een expert op het gebied van vele plantensoorten: in het deel Voorjaar alleen al staan lange hoofdstukken over narcissen, anemonen, sneeuwklokjes, irissen, primula's en krokussen. Een fraai voorbeeld van Bowles' manier van schrijven is te vinden in het hoofdstuk over krokussen: na een animerende verhandeling hoe ze te kruisen en wat te doen met de zaailingen wordt de geest over hem vaardig: ""Ja, Krokussen worden hier ernstig genomen, we verwijzen naar hen soms zelfs als Croci, maar ik heb mij er nooit toe kunnen brengen de juiste Griekse uitspraak te gebruiken en de eerste lettergreep uit te spreken als Crock. Ik zou het willen doen als ik er op tijd aan dacht en veronderstelde dat iemand zou weten waar ik het over had, want ik houd ervan consequent te zijn: men gebruikt altijd de korte o voor Crocodile, en het zou bevredigend zijn te kunnen geloven in de derivatie van kroko-deilos (vrezer van krokussen) die door sommige auteurs in de Oudheid wordt gegeven.''

Andere soortgelijke uitstapjes betreffen de oorsprong van de indringletter D in Daffodil (een verbastering van asphodel), de wilgen op het graf van Napoleon op St. Helena, plus allerlei schitterende anekdotes, zoals de vergelijking van een verdwaald groen Sneeuwklokje, dat was opgekomen tussen de gewone en ""wier eigenaardigheden geheel haar eigen bedenksels moesten zijn'', met het kleine meisje ""beschuldigd van bijten, krabben en spuwen naar haar brave kinderjuffrouw, dat op Moeders uitleg dat zulk gedrag zeer slecht was en gewis door de Duivel in haar hoofd moest zijn geplant antwoordde: "Misschien geldt dat voor het krabben en bijten, maar ik kan U verzekeren dat het spuwen geheel mijn eigen idee was'.'' Ook was er een oud dametje dat door een kind een tuiltje sleutelbloemen werd gebracht; daartussen bevond zich een oranje exemplaar, iets dat ze in geen jaren meer gezien had. ""Breng de kleine schat nog niet naar bed, Nurse, totdat zij de plant heeft gevonden waarvan zij deze geplukt heeft en er een stok bij heeft gezet, sprak dit geduchte oudje.''

Niet alleen dat er geen geciviliseerdere manier is om over tuinieren te schrijven, maar Bowles' boeken staan ook vol uiterst praktische informatie. Ik ben er niet zeker van dat ik ooit het krokuskweken zal opvatten, maar als ik het mocht doen zal ik hem navolgen naar de letter; geïnspireerd door zijn voorbeeld sta ik nu zowaar op het punt een afdeling vetplanten (""De liefde voor deze vlezige planten lijkt op een ziekte als kinkhoest of mazelen doordat kinderen er vatbaarder voor zijn, maar ook doordat het voor volwassenen dodelijker is; want hoewel het een verworven smaak is schijnt het, als het zich eenmaal heeft gevestigd, onuitroeibaar te zijn.'') en een rotstuintje te beginnen. Hij heeft ook het mysterie voor mij opgelost waarover ik een jaar geleden (29 februari 1992) schreef: dat van de winter aconiet, Eranthis hyemalis. Ik beschreef deze plant toen als volstrekt ongeschikt voor mijn tuin; vele waren geplant en weinigen opgekomen. Een kennis, verontwaardigd over deze aantijging tegen een onschuldig gewas, bracht me twee grote bloeiende pollen uit haar eigen tuin, een goedbedoelde daad, dacht ik, maar evenzeer gedoemd tot falen als mijn eigen aanplant. Ik bekeek ze meewarig, denkend: arme stumpers, je zult je vergissing spoedig bemerken.

En zie, nu lees ik in Bowles dat ""het moeilijk is een nieuwe kolonie [winter aconieten] te vestigen tenzij men een oude kan bemachtigen, want het is een van die planten die zwaar te lijden hebben van enige tijd uit de grond te zijn, en hier ondervind ik dat de bloeiperiode de beste tijd is om ze over te planten. Knollen gekocht in de herfst zijn meestal op sterven na dood.'' Het was dus de juiste handelwijze geweest. De conclusie is duidelijk: beter je planten te vervloeken dan ze te prijzen.

Sorry, dit moet ik corrigeren: tot dusver lijkt het beter je planten te vervloeken dan ze te prijzen.