HOE DE NAVO EUROPA TEGEN ZICHZELF BESCHERMDE

NATO. The Founding of the Atlantic Alliance and the Integration of Europe door Francis H. Heller en John R. Gillingham (red.) 470 blz., Macmillan 1992, f 139,50 ISBN 0 333 57981 X

Woest was hij toen hij hoorde dat Noord- en Oost-Nederland bij een aanval door de Sovjet-Unie niet zouden worden verdedigd. Minister van buitenlandse zaken D. U. Stikker liet er in september 1950 dan ook geen gras over groeien: in krachtige bewoordingen drong hij aan op een substantiële Duitse bijdrage aan de Atlantische defensie. Alleen zo kon een echte "voorwaartse verdediging' worden gevoerd en zou geheel Nederland worden beschermd. Maar het Duitse leger, de voormalige vijand, binnenhalen in het westerse verdedigingssysteem, dat ging niet zomaar.

Het gevoelige probleem van de herbewapening van Duitsland is kenmerkend voor de dilemma's waarmee politici en militairen in de jaren veertig en vijftig worstelden. In veel opzichten lijken de vragen van toen op die van nu. Ook destijds was er wat betreft de defensie van West-Europa een nieuwe veiligheidssituatie ontstaan waarop een politiek-militair antwoord moest worden gegeven. Waaruit bestond de dreiging concreet? Hoe kunnen wij ons daartegen weren? Welke prijs is ons dat waard?

Zeker, het vijandbeeld was toen duidelijker dan nu. Toch zijn wij er daar niet mee. Ook in het heetst van de Koude Oorlog moest men de vijand, bewust of onbewust, definiëren. Stonden de Sovjets te trappelen voor de deur of zouden ze pas over vele jaren komen? Hoe zeker was het überhaupt dat ze kwamen? Sloop het communistische gevaar niet veeleer via subversieve acties onze samenleving binnen?

Het is interessant na te gaan welke oplossingen er veertig jaar geleden zijn gekozen voor die dilemma's, en hoe die keuzes tot stand kwamen. De laatste jaren hebben vele historici zich met deze problematiek beziggehouden, maar het is opvallend dat de geschiedenis van de Navo daarbij nauwelijks in de belangstelling staat. Overigens lijdt de Navo zelf eveneens behoorlijk aan Geschichtslosigkeit: bij mijn weten is er bij de verdragsorganisatie slechts één bedrijfshistoricus werkzaam, wiens studies bovendien nog zo geheim zijn dat die de eerstkomende decennia het daglicht kennelijk nog niet kunnen verdragen.

NIEUWE WERELDORDE

NATO. The Founding of the Atlantic Alliance is wat dat betreft een welkome publikatie. Het betreft hier de weerslag van een conferentie die in september 1989 werd georganiseerd door de Harry S. Truman Library en het Truman Era Research Program of the University of Missouri. Hoewel de bijdragen nog vóór de val van de Muur zijn geschreven, doet dat niets af aan hun belang. Misschien is het tegendeel wel het geval: de auteurs voelden zich niet genoodzaakt te schrijven vanuit het perspectief van de nieuwe wereldorde die na 1989 zijn opwachting maakte.

De toon van de twintig bijdragen, die bijna alle van een hoog niveau zijn, is zakelijk. Dat was in het verleden wel anders. Ook bij historici wekte de Koude Oorlog verhitte gemoederen op. Aanvankelijk voerden zogenoemde "realisten' de boventoon. Zij beschouwden de Verenigde Staten als de verdediger van het Vrije Westen tegen de expansionistische Sovjet-Unie. De "revisionisten' stelden zich in de jaren zestig diametraal tegenover deze visie op. In hun ogen waren de neo-imperialistische Verenigde Staten de kwade genius. Vanaf de jaren zeventig, tijdens de détente, ontstond op grond van archiefonderzoek een genuanceerder beeld. Uit NATO. The Founding of the Atlantic Alliance blijkt dat ook onder historici de Koude Oorlog nu definitief verleden tijd is.

GARANTIE

Een opvallende conclusie van deze bundel is dat de Navo maar zeer ten dele een antwoord was op de dreiging van de Sovjet-Unie. De betrokken staten streefden met de oprichting van de alliantie zeer verschillende doeleinden na. De Fransen en Britten, schrijven respectievelijk Irwin M. Wall en Peter Foot, liepen om het hardst teneinde de Amerikaanse militairen binnen te halen. De Britten zouden daardoor, dachten ze zelf, de ruimte krijgen meer aandacht en geld aan hun Commonwealth te besteden. Bovendien zou de in de oorlog opgebouwde special relationship met de Verenigde Staten aldus worden bestendigd.

De Fransen op hun beurt beschouwden de Amerikaanse betrokkenheid bij de verdediging van West-Europa vooral als een garantie tegen een eventuele hernieuwde Duitse dreiging. In de jaren vijftig merkte de latere president Kennedy in de senaat daarover op dat de paradoxale situatie was ontstaan dat de bescherming van Frankrijk door de Amerikaanse aanwezigheid in de Bondsrepubliek, De Gaulle de vrijheid verschafte een anti-Amerikaans beleid te voeren.

Ook de Nederlandse regering liet zich aanvankelijk niet leiden door angst voor de Sovjet-Unie, schrijft Jan van der Harst. Een Amerikaans commitment bij de verdediging van Europa was voor haar voldoende. Zij maakte zich meer zorgen om het economische herstel van het land en de ontwikkelingen in Indonesië. Armoede en Soekarno waren de handlangers van communisten, heette het op het Binnenhof.

De Amerikanen zelf hadden aanvankelijk een niet erg duidelijk beeld van hun rol in Europa. Aanvankelijk wilde de regering-Truman de Europeanen alleen met economische hulp steunen. Het Marshallplan was, in tegenstelling tot de Navo, een zuiver Amerikaans initiatief. Gaandeweg werden de Verenigde Staten evenwel in de Europese zaken meegesleurd. Hun voornemen zo snel mogelijk te vertrekken als West-Europa weer op eigen benen zou kunnen staan, werd doorkruist door hun bemoeienissen met de burgeroorlog in Griekenland, en de groeiende macht van de communisten in Oost-Europa.

In de beginjaren vijftig was er geen sprake meer van dat de Amerikanen zich konden terugtrekken. Hun aanwezigheid in Europa was een onmisbaar element voor stabiele internationale verhoudingen geworden. Omdat de Amerikanen dat zelf niet goed beseften, stelt Marc Trachtenberg in zijn prikkelende bijdrage, waren zij gedwongen constant over hun intenties te liegen. Ze zeiden Europa niet te verlaten, maar hoopten intussen binnen afzienbare tijd te vertrekken.

Het ironische van de zaak is dat de Verenigde Staten eind jaren veertig West-Europa in feite nauwelijks bescherming konden geven. Volgens de officiële strategische plannen zouden de Amerikaanse troepen zich bij het oprukken van de Rus als de wiedeweerga terugtrekken achter de Pyreneën, en oversteken naar Noord-Afrika en Groot-Brittannië. Er waren nog onvoldoende manschappen, nucleaire wapens en te weinig vliegtuigen om ze over te brengen, om de opmars van het Rode Leger te stoppen. De Amerikaanse betrokkenheid was voorlopig slechts symbolisch, meer niet.

RODE HORDEN

Niet de oprichting van de Navo in 1949 was een waterscheiding, maar de Noordkoreaanse inval in Zuid-Korea in de zomer van 1950. Die schudde het Westen wakker: de angst voor oprukkende rode horden werden plots een veel reëler politiek gegeven dan voorheen. Truman zond troepen, wapens en geld naar Europa, onder de voorwaarde dat de Europeanen zelf ook de hand aan het zwaard zouden slaan.

Bovendien moest de in 1949 gestichte Bondsrepubliek Duitsland ook een bijdrage aan de verdediging leveren. De Franse regering, die tegen Duitse herbewapening was, stond schaak. Zij deed daarop een sprong voorwaarts door te proberen de opbouw van de Duitse defensie in te kapselen in het kader van een Europese Defensie Gemeenschap - vier jaar later brachten de Fransen evenwel zelf de EDG om zeep omdat zij meenden dat la France te veel van haar soevereiniteit moest inleveren.

Dat de defensie in Europa snel moest worden versterkt, daarover was iedereen het in die beginjaren vijftig wel eens. Maar met welke middelen dat moest gebeuren, en met hoeveel, daarover verschilden de meningen aanzienlijk. Aan ambitieuze plannen was geen gebrek, maar die bleken al snel te hoog gegrepen. De opbouw ging daarom verder in een lagere versnelling.

Wellicht was de groei van een strakkere organisatie de belangrijkste winst die de Navo in deze jaren boekte, zoals Charles S. Maier in zijn bijdrage duidelijk maakt. Dat ging samen met de invoering van de Annual Review procedure, waarbij jaarlijks per lidstaat werd bekeken op welke wijze een verantwoorde defensieopbouw mogelijk was zonder op sociaal-economisch gebied grote brokken te maken.

VOORWAARTSE VERDEDIGING

Dit boek bevat helaas geen aparte bijdrage over de ontwikkeling en politieke implicaties van de strategie van de "voorwaartse verdediging'. Het uitgangspunt zo ver mogelijk oostwaarts de Rus tegemoet te treden, is om voornamelijk politieke redenen in 1950 als principe aanvaard. Een alternatief was in verschillende lidstaten onverkoopbaar - niet in de laatste plaats dus in Nederland.

De voorwaartse verdediging kon echter pas eind jaren vijftig, begin jaren zestig werkelijk worden gerealiseerd. Binnen dit politiek-militaire spanningsveld ontspon zich een felle strijd over de operatieplannen. Onderling wantrouwen tussen de Navo-lidstaten was troef. Zouden Amerikanen en Britten zich niet terugtrekken als het erop aankwam? In hoeverre zouden de Fransen toch terugvallen op hun klassieke verdediging aan de Rijn? Zouden de Nederlanders en de Duitsers niet in de steek worden gelaten?

De eerste opperbevelhebber van de Navo in Europa, generaal Dwight D. Eisenhower, maakte zich niet al te grote zorgen over dit gekrakeel. Hij zag wel mogelijkheden om met aanzienlijk minder conventionele troepen de eventuele Sovjetopmars te stoppen. Niet door massale luchtbombardementen, zoals de sterke Air Force-lobby voorstond, en ook niet door alleen op de grond te vechten, maar door een combinatie van beide. De bevoorrading van het Rode Leger was in zijn ogen kwetsbaar voor atoombombardementen. De gevechtseenheden, die zich bij hun opmars naar de "flessehals' West-Europa moesten concentreren, konden eveneens op die manier worden aangepakt.

De nuclearisering van de Navo-strategie, die in tegenstelling tot de voorwaartse defensie wel ruime aandacht in de bundel krijgt, begon ten tijde van de regering-Truman. En niet, zoals vaak wordt gedacht, onder het presidentschap van Eisenhower. Diens New Look-politiek was, zo toont Robert A. Wampler overtuigend aan, dus zeker geen breuk, zoals de naam suggereert. Ook "Ike' zelf heeft daarop trouwens steeds gehamerd.

De inbedding van kernwapens in Navo-strategie was aanvankelijk wellicht vanuit militair standpunt gezien de beste oplossing voor het Europese defensiedilemma. Politiek gezien was zij dat zeker niet. Het was een strategie zonder inspraak. De president van de Verenigde Staten besliste uiteindelijk over de inzet van de kernwapens. Een eigen Westeuropese inbreng in de defensie van haar grondgebied was daarmee in laatste instantie een illusie.

HERRRIJZEND DUITSLAND

Desalniettemin heeft de Navo een dubbele maar uiteindelijk positieve rol gespeeld bij de Europese eenwording. De Amerikaanse betrokkenheid bij de defensie van Europa nam de angst voor een herrijzend Duitsland (vooral bij de Fransen) weg. Aldus was er sprake van een dual containment, namelijk van de Sovjet-Unie en van Duitsland. De Verenigde Staten stimuleerden de integratie van Europa; zij wilden immers weg.

Tegelijkertijd verschafte de Amerikaanse gebondenheid aan de verdediging van Europa (door de kernwapenstrategie) de Europese staten ook een bepaalde mate van vrijheid, die de snelheid van de integratie niet ten goede kwam. Deze "vrijheid in gebondenheid' werd overigens niet door iedereen beseft. De Verenigde Staten konden dan ook bij herhaling met succes dreigen hun troepen terug te trekkken.

Het is gezien het bovenstaande niet verwonderlijk dat het einde van de Koude Oorlog Europa in verwarring heeft gestort. De oude wereld moet nu zelf haar eigen boontjes doppen. En dat valt niet mee zonder een duidelijke vijand. Wat blijft is het belang Duitsland binnenboord te houden. De snelheid waarmee nieuwe militaire samenwerkingsverbanden worden aangegaan - onder meer in de vorm van Frans-Duitse en Nederlands-Duitse legerkorpsen - maakt dat overduidelijk.

De Navo, zo concludeert Heller in zijn afsluitende artikel, dat in tegenstelling tot de rest kort geleden is geschreven, zal blijven bestaan omdat de oorspronkelijk politieke dimensie van het bondgenootschap weer de boventoon boven de militaire gaat voeren. Komt het Europa van de Atlantische Oceaan tot de Oeral, zoals De Gaulle voor ogen stond, er dan toch? De oprichting van de Noordatlantische Samenwerkingsraad wijst wel in die richting. Terecht stelt Heller dat veel afhangt van het vermogen van de Amerikanen om de veranderingen te begrijpen. Dat geldt uiteraard, en in versterkte mate, eveneens voor de dolende Europeanen.